Bestaat God? (deel 3) – Kracht van het Verhaal

Michel Onfray (foto via Google)

“Overal heb ik wel geconstateerd hoezeer de mens fabuleert om de werkelijkheid niet onder ogen te hoeven zien. Het scheppen van achterwerelden zou nog niet zo erg zijn als de prijs ervoor niet zo hoog was: het vergeten van de werkelijkheid, dus de afkeurenswaardige verontachtzaming van de enige wereld die bestaat.

Geloof botst met immanentie, dus met het eigen ik, terwijl atheïsme verzoent met de aarde, anders gezegd met het leven zelf.”

Deze zinnen heb ik geciteerd het boek Atheologie (2005, p.16-17) van de Franse filosoof Michel Onfray (*1959). Hij is hoogleraar filosofie in Caen. Zowel in Frankrijk als daarbuiten is hij een vurig pleitbezorger van atheïsme én van het zuigen van alle vrolijkmakende sappen uit het leven, zoals ik het hedonisme zou willen omschrijven.

De bovenstaande zinnen van de atheïstische Fransman vragen aandacht, want wat zegt Onfray nu echt? Hij schrijft eerder op p.16 dat hij “de mensen nergens heeft geminacht die geloven…”, toch klinkt van begin tot aan pagina p.246 de minachting juist volop. Geloof/religie (welke dan ook) dienen volgens Onfray met wortel en tak uitgeroeid te worden. Natuurlijk, ik kon het boek van Onfray aan de kant leggen. Niet gedaan, want zoals ik schreef in deel 2 van deze blogserie, kan de atheïst mij scherp houden.

Angst voor de dood

Volgens Onfray heeft de mens fabels, verhalen, mythen, vertellend materiaal nodig om niet geconfronteerd te worden met de werkelijkheid (p.16). Nu blijkt een paar pagina’s verder dat die werkelijkheid volgens Onfray wreed van aard is; de waarheid van de wereld is tragisch en moet verdragen worden.

“Om de dood te bezweren stuurt de homo sapiens hem weg. Om te voorkomen dat hij het probleem moet oplossen, ruimt hij het weg. Sterven is slechts het lot van stervelingen: die naïeve en onnozele gelovige weet dat hij onsterfelijk is…”(p.20)

Blijkbaar heeft elke religie/geloofssysteem uiteindelijk een begin in de doodsdrift van de mens, in de angst om de sterven. Zo worden ‘achterwerelden’, een hemel bijvoorbeeld, bedacht om de dood de baas te kunnen.
Iedereen mag dat geloven van Onfray, alleen graag achter de voordeur. Hij blijkt vooral een broertje dood te hebben aan mensen die deze doodsdrift en de manier hoe hiermee om te gaan, te gelde maken. Dan kijkt hij vooral naar kerkelijke instituten, priesters, dominees, rabbijnen, imams, ayatollah’s en andere geestelijk leiders.

Oogkleppen

Religies willen de werkelijkheid doen vergeten en tonen daarmee verontachtzaming van deze wereld nu, aldus Onfray. Dus concreet: ik verwaarloos ik deze wereld in de ogen van de filosoof. Tsjonge, zo gaat dat blijkbaar: een atheïst als deze Frans veegt alle gelovigen gewoon op één hoop en koppelt hen los van deze wereld, want ‘ze’ interesseren zich, excusé le mot, geen barst voor deze wereld.
Mag ik wat terug zeggen:

“Nou meneer Onfray, wat een oogkleppen heeft u op.”

Hij kan dan wel heel boeken hebben gelezen (getuige zijn dichtbedrukte laatste pagina’s vol boektitels inclusief zijn commentaar), toch is zijn visie beperkt. Heeft hij gelovigen zélf gesproken, dus mensen van vlees en bloed?

Op p.21 schrijft Onfray dat atheïsme geen therapie is, maar een “hervonden geestelijke gezondheid”. Een dergelijk atheïsme verzoent de mens met deze wereld. Ja, ik kan nu flauw gaan doen en me bezondigen aan the atheist atrocities fallacy (klik hier). Dus alle atheïsten op een zelfde hoop gooien en wijzen naar de atheïstische onverzoenlijkheden in deze wereld: het communisme in Rusland in de tijd van de fel-atheïstische Stalin, hoeveel doden zijn toen gevallen? Of wat te denken van de Rode Revolutie in China ten tijde van de atheïstische Mao – massagraven vol lijken.
Zal ik nog iets plats zeggen over het algemene mensbeeld dat ik tegenkom in ‘het’ atheïsme? Ik vind het mensbeeld aldaar een hologram, leeg en nietszeggend. Onfray pleit plat gezegd voor “lange leve de lol”. Filosofen aangevuld met “lachers, materialisten, radicalen, cynici, hedonisten, atheïsten, sensualisten en wellustigen” kunnen leren de wereld “in ons voordeel te gebruiken.” (p.245 en p.246) Voor mij in één woord: Gaap.

Cerebraal (te veel in de bovenkamer)

Of ik nou de stapel boeken uit deel 1 van deze blogserie neem of het debat tussen Herman Philipse en Emanuel Rutten in deel 2, ik ben weinig overtuigd door de woordgoochelarij van allerlei wetenschappers, pro of contra geloof. Wat een ingewikkelde termen en argumenten om het bestaan van (een) god werkelijk te ontkrachten of realiteit te geven. Hoe gemakkelijk is het om alle ongerijmheden van religies op te dissen en daarmee je eigen gelijk te halen.
Wat me nu vooral opvalt: de meeste denkers en schrijvers van atheïstische boeken zijn zeer gefocust op hun hersenen, nogal cerebraal dus. Argumenten voor en tegen, bewijzen voor en tegen, zienswijzen voor en tegen, wat voors en tegens er ook zijn, als het alleen maar in de bovenkamer blijft, dan gebeurt er verder weinig, in ieder geval met mij. Het is wel leuk om te lezen en mij scherp te houden en toch mis ik wat.

Geloof mét een goed verhaal graag

Cerebraal over het bestaan van god debatteren, is welbeschouwd heel veilig. Argumenten weer verpakken in duizelingwekkende termen en gedachtesprongen vind ik eerlijk gezegd getuigen van een bepaalde armoede. Want het wordt voor mij juist spannend waar een vaak onderbelichte kant van geloof ter sprake komt.
Want wat ik mis in het God-welles-nietes-debat en in vele andere discussies is vooral de link naar de verhalende kant van religie. Tuurlijk, Onfray schrijft zelf over de vertellende mens en zijn doodsdrift. Alleen doet hij naar mijn smaak weinig met de verhalen van christenen zélf. Tsja, het is makkelijk scoren voor Onfray om alleen onmogelijkheden, rariteiten en de vermeende onzin aan te wijzen ion de Bijbel. Waar is de interessen voor de biografie van de gelovige en voor het waarom dat iemand gelooft in God.

God schenkt, daarom.

Ik geloof in God omdat er goede en de letterlijk-sterke verhalen van Hem rondgaan en waarvan ik veelvuldig heb gehoord. De Engelse emeritus-aartsbisschop Rowan Williams schrijft over de

unconditional divine gift within the world’s own story[1]

De wereld kent haar verhalen. Het verhaal van een schenkende God vind ik een sterk en bijzonder treffend verhaal om door en vanuit de lezen. Juist door de aloude, Bijbelse verhalen te blijven lezen, bieden ze mij een vergezicht op het grote gebied dat tussen “ja” en “nee” ligt. Mijn hart blijft gevoed door de wonderschone zinnen, prachtige verhalen, recht-door-zee-retoriek, de verschillende beelden van God. Hij is meer dan eendimensionaal. Deze verhalen vertellen mij, bij goed lezen, hoe al het menselijke naar de oppervlakte borrelt. Ze kweken begrip over allerlei kanten in een menselijk leven. Vragen stellen vinden deze verhalen belangrijker dan enkel antwoorden geven. Dat kom ik tegen bij goed lezen.

Oude Testament – geen leven na de dood

Illustratie van waar het She’ol gelokaliseerd is volgens het Bijbelse wereldbeeld

Een filosoof als Onfray beschouwt dit als fabuleren, deze werkelijkheid verwaarlozen door een achterwereld te scheppen. Het moge duidelijk zijn, dat ik die mening niet deel. De verhalen die in het Oude Testament zijn opgeschreven, hebben nergens de aard van een loskomen van deze werkelijkheid. Geen vlucht in een hiernamaals in de trant van: na de dood is het echte leven.
Enerzijds heeft de mens van God verantwoordelijkheid gekregen om goed te zorgen voor de aarde (Genesis 1) Anderszijds: in het Oude Testament is er géén sprake van een hiernamaals. Geen leven na de dood, wel de rust van de ziel in het she’ol, de onderwereld. Deze bevindt zich, volgens het toenmalige wereldbeeld van de aarde plat als een pannenkoek, in de aardlaag boven de wateren onder het uitspansel.

Nieuwe Testament – eeuwig leven nú

Waar Jezus Christus in het Nieuwe Testament spreekt over het eeuwige leven, dan is dat nu al begonnen. Waarom zou Jezus eerst moeten sterven aan een kruis en daarna opstaan, om te bewijzen dat er dan poas eeuwig leven is? Tuurlijk, ik weet dat in het Nieuwe Testament van de Bijbel allerlei vingerwijzingen zijn naar een plaats waar God troont. Maar wie zegt dat ik daarnaar toe ga? Is het visioen van Johannes niet zo, dat de hemel naar de aarde komt?
De mensen die nu sterven, die geven hun adem terug aan God (Prediker 12). Waar de mensen dan zouden kunnen zijn, dat weet niemand. En dat vind ik helemaal niet zo interessant. Voor mij is genoeg om te weten en te geloven, dat ik bij God uit kom.

Alles is neutraal?

Waarom ik geloof in God heeft een tweede reden: het universum, de werkelijkheid, de feiten in het dagelijks leven zijn voor mij neutraal. Een bepaalde gebeurtenis krijgt pas betekenis voor iemand, wanneer hij of zij er een eigen etiket opplakt. De een kan bijvoorbeeld zeggen wat betreft het hart: “Een klomp spieren, aders, slagadres, een aantal kamers” Een ander: “In het hart voel ik de liefde kloppen.” Wie heeft gelijk? Daar gaat het niet om. Juist het ontvangen via de zintuigen (anders lukt het niet om de wereld te begrijpen) en de verwerking daarvan in iemand zelf, dat vind ik mooi. Met ogen van geloof en vertrouwen kan ik zeggen dat de wereld breuken en gaten kent, harde natuurwetten en spontane ontsporingen. En tóch, die allereerste Bewoner van de ruimte rondom het universum gáát een relatie aan met mensen. Met ogen van geloof kan ik zeggen dat God harten raakt en de liefde laat kloppen.

Deze manier van denken over geloof en religie hoor ik maar weinig in de debatten over Gods wel of niet bestaan. Geloof heeft voor mij te maken met relatie, met verbinding. In de bijbel is het al raak op pagina 2: God is de eerste die een kus geeft aan de eerste oermens. De adem wordt door God ingeblazen in de neus van de Adam en later Eva. Kan het nog tastbaarder?
Ja, ik weet het de adem van de mens is O2-rijk bij inademing en vooral CO2-rijk bij uitademen. Wetenschappelijk allemaal wel te ontleden en te verklaren. Maar het mysterie van ademhalen, leven van lucht, hoe God het leven op spanning houdt – wat zou er gebeuren als God zijn adem zou inhouden? Zie Psalm 104, vers 29.

Gokje wagen en een goed gesprek

Goed gesprek (Foto: Erik Hijweege)

Geloof heeft voor mij ook het karakter van een gokje wagen, het lezen en herlezen van niet-bewezen teksten die wél wijzen naar een andere werkelijkheid, zingen van liederen die de Top40 niet zullen halen, bidden terwijl ik soms denk dat ik tegen een muur of lucht praat.  De rijkdom van het christelijk geloof is voor mij vooral hierin te vinden: het verhalende karakter van het christendom en de relatie en verbondenheid tussen God en mens. Liever elkaar verhalen blijven vertellen waardoor de mystiek van Gods geschenk van leven voor mensen intact blijft, in plaats van eeuwig-vermoeiende welles-nietes-debatten of God wel of niet bestaat. Met dat laatste schiet ik niet zoveel op, met het eerste begint een goed gesprek.

Robert-Jan van Amstel, 20 maart 2017

bovenstaande blog in drie delen “Bestaat God?” is een bewerking en flinke uitbreiding van een paper geschreven in het kader van de Permanente Educatie, cursus “Geloof in de publieke ruimte” (PThU Amsterdam)
Deel 1, klik hier
Deel 2, klik hier

Voetnoten:

[1] Rowan Williams, Faith in the public square, I.7, p.90