Wat heb ik lief?

Bij het invullen van de orde van dienst van a.s. zondag, vind ik het heerlijk om in alle rust te  bladeren in het Nieuwe Liedboek. Vandaag had ik tegelijkertijd de CD “Met hart en ziel” van het Vocaal Theologen Ensemble op de achtergrond aangezet. En ineens werd mijn innerlijk oor aangetrokken door een lied dat ik zelf niet kende: “Ik heb verstaan, Heer, wat Gij hebt gezegd” (het lied van Habakuk), lied 156.

Luister maar, de verzen 1, 3 en 4 worden gezongen:

De tekst is van Koenraad Ouwens. De melodie ‘Yorkshire’ is gecomponeerd door John Wainwright.
Het vierde vers blijft wat langer rondhangen in mijn hoofd:

4. ‘k Blijf daarom, tegen beter weten in,
mij richten naar het woord van het begin,
dat Gij ons, God der eeuwen, hebt gezegd:
’t verbond van trouw, van onverbreekbaar recht.
Gij, Heer, Gij zijt mijn kracht, mijn zekerheid;
ik juich om U in tijd en eeuwigheid.

Die paar woorden “tegen beter in” treffen me. Want dat gevoel, die gedachte heb ik weleens: zou ik mezelf niet voor de gek houden met het geloof in God? Zovele sterke argumenten lees ik in boeken en kranten en hoor ik in interviews op de radio of de televisie, argumenten die stuk voor stuk barstjes in het door mijzelf vormgegeven en opgebouwde geloofshuis aanbrengen. Wat heb ik in handen om tegenargumenten te geven? Hoe vaak sta ik niet met lege handen en lijkt de ander die blijkbaar prima zonder een god kan leven, gelijk te hebben?

In hetzelfde Nieuwe Liedboek uit 2013 staat een prachtig gedicht uit vervlogen tijden en toch zo fris. Geschreven door een kerkvader met de naam Aurelius Augustinus. Hij leefde in de vierde/vijfde eeuw na Christus. Zijn tekst is te vinden op pagina 1350; deze woorden raken aan de vraag waarom ik “tegen beter weten in” blijf geloven in God.

Maar wat heb ik lief als ik U liefheb?
Niet een mooi lichaam,
geen schoonheid die voorbijgaat,
geen licht dat onze ogen graag zien,
geen mooie melodieën van allerlei liederen,
niet de fijne geur van bloemen of van parfum of zalf,
geen manna en geen honing,
niet een lief lichaam om te omhelzen.
Dat heb ik niet lief als ik mijn God liefheb.

En toch heb ik wel zoiets lief als licht,
zoiets als een stem en als een geur,
zoiets als voedsel en als een omhelzing,
als ik mijn God liefheb:
Hij is licht en klank en geur en voedsel,
Hij is de omhelzing van mijn innerlijke mens,
waar voor mijn ziel oplicht wat niet aan plaats gebonden is,
waar klinkt wat de tijd je niet afneemt,
waar een geur is die niet op de wind verwaait,
waar smaken niet minder wordt door eten,
waar omhelzing niet loslaat door verzadiging.
Dit heb ik lief als ik mijn God liefheb.

ds Robert-Jan van Amstel, 13 mei 2014