Dalí – wat een kunst (2) Drijfveren

Alain de Botton (c) www.list.co.uk

.

“Kunst helpt je te leven en te sterven”

Woorden van de filosoof Alain de Botton (1969) in de Volkskrant van 13 juli jongstleden.

“Kunstwerken kunnen ons leven  beter maken. We moeten zo vaak sterk zijn, dat we steeds slechter worden in zacht en aardig zijn. Kunst nodigt ons uit weer aardig te zijn.” En: “Kunst is een geconcentreerde dosis van goede dingen in de wereld.”

Kunst kan, aldus De Botton, emoties oproepen die we reeds kennen en ook diegenen die we verloren waren of dachten. Kunst is zelfs in staat om balans te geven, al zal zij niet direct kunnen helpen met problemen. Nu ik een aantal boeken over Dalí heb gelezen(1), denk ik dat Dalí zich zou herkennen in wat de Engelse filosoof zegt over kunst: kunst helpt je te leven en te sterven. Alleen al het feit dat hij in zijn eigen kunstwerk, zijn museum in Figueres is begraven, bevestigt mij in dit idee. Kunst hielp hem te leven en te sterven.
Ik zet een volgende stap voor mijn vraag of Dalí als kunstenaar kan helpen een preek te schrijven. Zijn schilderij “Christ of Saint John of the Cross”, het crucifix uit 1951 dient daarbij als kapstok. Hij maakte dat schilderij in toen 47 jaar oud was. Om te kunnen begrijpen waarom dit schilderij zo anders van opzet is vergeleken met zijn kunst die hij maakte als pakweg 30jarige, wil ik eerst wat achtergrondinfo geven omtrent de kunstenaar. Geen uitputtend biografisch overzicht, want alleen al op sites als Wikipedia is genoeg te vinden, klik hier. Kijkend naar zijn schilderijen vanaf bij wijze van spreken de allereerste tot aan zijn ‘zwanenzang’, allen ademen innerlijke en autobiografische elementen. Ik noem de belangrijkste en, waar nodig, geef ik wat aanvullende informatie:

Salvador II

De 5jarige Dalí

Salvador Dalí werd geboren in 1904 in Figueres (Spanje) en hij kreeg de naam die eerst aan zijn broertje was gegeven. Die was na 22 maanden gestorven in 1903. Dalí was Salvador de Tweede. Zou hij zich tweederangs hebben gevoeld?  Als ik de biografie lees van Dalí, dan lijkt hij continu te willen bewijzen dat juist híj het origineel is, de eersteling. Hij wil beroemd worden en niet pas na zijn dood, zoals bijvoorbeeld de tragische Vincent van Gogh. Dalí is als de dood voor het graf. Hij heeft grote angst om te sterven. En hij zet alles op alles om herhaling in zijn kunst te voorkomen.

Originaliteit en oorspronkelijk denken zijn van belang voor Dalí. Waarden, normen en gewoontes die in de samenleving zijn geaccepteerd, dienen consequent ‘verdraaid’ of ‘voor gek verklaard’ te worden want het gevaar van verstarring, van verstening, van stilstand loert immers. Zelfs de tijd is geen rotsvast gegeven. Kijk eens met dit gegeven van ‘verdraaiingen’ in het achterhoofd naar één van de bekendste schilderijen van de toen 27jarige Dalí: de weke horloges, slap hangend aan een tak of over de rand van een tafel:

De duurzaamheid van de herinnering (ook: De weke uurwerken, of: De verlopen tijd) (1931)

Het rustende, vervormde, haast levenloze gezicht van Dalí met daarop een week horloge gedrapeerd. Bij de rand van een houten blok aan de linkerkant zien we een smeltende of gesmolten horloge. We zien de achterkant van een rood horloge vol met mieren die de klok opeten: tijd is én betrekkelijk én niet solide. Vandaar ook het grote contrast: de slappe klokken (“camembert van de tijd”, aldus Dalí) en het stevige, goudkleurige gebergte van Cap de Creus, Catalonië.

Een ander signaal om origineel te zijn en niet te lang te dralen, zien we in wat Dalí als 37jarige schrijft in zijn eerste autobiografie “Het geheime leven van Salvador Dalí”: hij wilde als zesjarige kokkin (!) worden en op zevenjarige leeftijd Napoleon. Zijn ambities had hij op een turbostand staan, op z’n zachtst gezegd.

Moeder Dalí
Een ander belangrijk biografisch element is zijn grote verdriet dat zijn moeder op 47jarige leeftijd is overleden als hij zelf 16 jaar is. Zij was een zeer gelovige, rooms-katholieke vrouw. Dit staat in schrille tegenstelling met haar dominante man die tot in de vezels atheïstisch was. Salvador Dalí heeft de katholieke basisschool gevolgd en zijn moeder neemt hem tijdens de kindertijd mee naar de kerk en hoorde de bijbelverhalen van zijn moeder. Echter, tot ruim na zijn 35e zal Dalí zich afzetten tegen religie en God, als in het spoor van zijn vader.
De relatie tussen de moeder en haar kinderen Salvador en dochter Ana-Maria was zeer innig. Moeder Dalí geeft iefde, eten en drinken in overvloed. En er is nog iets anders wat Dalí prijst in zijn moeder, in zijn woorden: de overgang van de intra-uteriene (binnen-baarmoederlijke) en voor hem paradijselijke toestand naar de aardse werkelijkheid, is vlotjes verlopen.
Geheel zijn leven heeft hij een zwakke plek voor zijn moeder. Dat komen we o.a. tegen is Dalí herinneringen ophaalt van vóór zijn geboorte. Ik kan me van eigen verblijf in de baarmoeder niets meer herinneren. Dalí lukt het wel met hulp van psychoanalyticus Otto Rank:

“Het intra-uteriene paradijs had de kleuren van de hel, dat wil zeggen: rood, oranje, geel en blauwig, de kleuren van vlammen, van vuur; het was vooral warm, onbeweeglijk, zacht, symmetrisch, dubbel en kleverig. Toen al lag voor mijn ogen alle lust en betovering, en de heerlijkste en meest opvallende voorstelling was die van de twee in een pan gebakken eieren zonder pan…”

Uit dit citaat wordt niet alleen duidelijk dat Dalí een sterke, emotionele band met zijn moeder had. Hij is ook een man van het zien: beeldend en indringend. Ofwel: dromen en fantasie horen niet aan de rand van het menselijk denken te staan, maar juist centraal. Deze zienservaringen vormen een rode draad in zijn stijl van haast fotografisch schilderen en vormgeven.

Concrete irrationaliteit en kritisch-paranoïde methode

Sigmund Freud

in de jaren 20 van de twintigste eeuw, als de Eerste Wereldoorlog achter de rug is en de geschokte ervaringen een plek in de verse geschiedenis krijgt, ‘verhuist’ Dalí vanuit het impressionisme, het kubisme (Picasso) en hyperrealisme naar het surrealisme (leider van die groep: André Breton). Het surrealisme, letterlijk: boven-de-realiteit, onderzoekt en benoemt de krachten in de menselijke ziel die vanuit de andere, dus verborgen kant, de dagelijkse ervaringen en gedragingen beïnvloeden. De droom en de daarin ongrijpbare figuren zijn daarbij bron voor inspiratie. Wat in onze werkelijkheid vastomlijnd is, bijvoorbeeld een rotsformatie, wordt in de droom geheel losgelaten: de rots is een gezicht. In het surrealisme speelt de psychoanalyse en droomuitleg van Sigmund Freud een grote rol. Freud was in die tijd een veelgelezen en -bekritiseerd psychiater en psychoanalyticus. In 1922 worden de volledige werken van Freud in het Spaans uitgegeven. Dalí verslindt deze boeken. Want met Freud weet Dalí eindelijk te benoemen wat er huist in zijn eigen onderbewustzijn en wordt hem (soms pijnlijk) duidelijk welke verborgen krachten in zijn zielenleven aan het werk zijn.

In de jaren 1927 en 1928 komen de eerste surrealistische werken uit het penseel van Dalí. Hij wil het raadselachtige tegenwoordig stellen, het ongrijpbare zichtbaar maken.(2)  Of, zoals hij dat zegt in de jaren 70 wanneer hij terugblikt:

“De schilderkunst is met de hand gemaakte kleurenfotografie van virtuele, overfijne, overspannen en hyperesthetische beelden van concrete irrationaliteiten.”

Het duistere spel (ook: Onheilspellend spel) (1929)

Een echte Dalí-zin en ik probeer in eigen woorden weer te geven wat hij bedoelt: Dalí legt beelden vast die voortkomen uit het onderbewuste, het irrationele. Deze worden niet lukraak/automatisch op het doek geschilderd door de kunstenaar, zoals de surrealisten gewoon zijn. Dalí heeft steeds een kritische wisselwerking met de realiteit en de werkelijkheid voor ogen. De beleefde realiteit is vooral het eigen ingevulde zicht op het dagelijks leven. De neutrale werkelijkheid is alles zoals dat door de ooglens ongefilterd binnenkomt.
De wisselwerking tussen het onbewuste (irrationele) en het bewuste zoals die op het doek verschijnt wordt door Dalí de kritisch-paranoïde methode genoemd. Deze methode laat zien dat dingen met vaste patronen en verhoudingen ten diepste kruispunten van processen zijn in de ziel. Die processen veranderen, bouwen nieuw op en hebben elke keer een eigen verstaanshorizont. Het ambigue, tweespaltkarakter van de werkelijkheid wordt op deze manier vertaald, open gelegd. Dat verklaart voor een belangrijk deel de op het eerste gezicht ‘gekke’, (ver)vreemde en veranderende (morfologische) combinatie in de schilderijen van Dalí: voorwerpen, mensen, gebeurtenissen, verhoudingen, verdraaiingen, spiegelingen, en tegenstelling tussen schoonheid en lelijkheid, binnen en buiten, misselijkmakend en zuiver et cetera. De optische misleiding is tegelijk de irrationele waarheid.

Gala
Een andere thematiek die een constante vormt in de schilderkunst van Dalí is zijn geworstel met seksualiteit. Hij schaamde zich voor zijn impotentie die hem reeds in de puberteit opbrak. Zijn vader maakte hem als kind bang dat seks allerlei ziektes en problemen kon veroorzaken. Seks heeft in bepaalde schilderijen de verbinding met (de) dood en bederf.
In 1929 ontmoet hij Gala, de muze van de surrealisten, die dan nog getrouwd is met Paul Eluard.  Die ontmoeting is het eerste begin van de veranderende beleving van seks bij Dali. Zij heeft hem van de ondergang gered.

Gala en Salvador Dalí (1930)

Met die ontmoeting met Gala ontvlamt de vader van Salvador Dalí: hij heeft moeite met de keuze van zijn zoon voor een vrouw die diverse liefdesaffaires achter de rug heeft en reeds een kind uit een eerdere relatie.
In Parijs maakt Dalí, die over het algemeen zeer liefdevol over zijn moeder spreekt en denkt, in hetzelfde jaar een kunstwerk met daarop de tekst: “Vele malen spuug ik met plezier op het portret van mijn moeder”. Alles bij elkaar neemt de vader van Salvador de ingrijpende keuze zijn zoon te onterven en het huis uit te zetten. Hij wil niets meer met hem te maken hebben. Voorlopig woont Dalí in Parijs. De verhouding met zijn vader blijft zeer slecht. Bij de begrafenis van zijn vader in 1952 is Dalí niet aanwezig.
In 1934 is Dalí getrouwd met Gala en zij wordt in alles een steun en toeverlaat. Zijn adoratie voor Gala doordesemt zijn werk in die jaren. Haar portret is terug te vinden in zo’n 50 schilderijen en Dalí ondertekent zijn werken met “Gala Salvador Dalí”.

Grote verandering op komst
In de 30er jaren van de vorige eeuw, dus in één decennium, maakt Dalí zo’n 700 (!) schilderijen, de helft van het totaal dat hij zal schilderen. Opvallende kenmerken in zijn schilderkunst in die tijd is de grootse ruimtelijkheid (de oneindige ruimte) en de stilgezette tijd: een eeuwigdurend ogenblik in een ruimte zonder grenzen. We zien ook gebakken eieren (denk aan de herinneringen van Dalí in de baarmoeder), weke/slappe horloges, Willem Tell (de slechte vader/zoon-relatie), touwtjes springende meisjes, een kleine jongen (soms gekleed in zeemanskostuum) met een wiel, vergrote telefoonhoorns, schuifladen in personen (laden waarin verborgen emoties, angsten, gedachten zitten), mieren, brandende girafnekken als beelden van oorlog en geweld, de olifanten of lange, spin-achtige poten waarmee Dalí de zwaartekracht en het evenwicht lijkt te tarten.

Een enorme productiviteit gepaard aan vele reizen die hij maakt in Europa en in de Verenigde Staten. Midden jaren 30 heerst in Spanje een burgeroorlog ten tijde van de regering van Franco. Ook de gewelddadige Tweede Wereldoorlog is een aanleiding om te vluchten voor Dalí. Hij verblijft met zijn Gala zo’n acht jaar in New York. Rond 1947 keert hij weer terug. Met een nieuwe levensvisie en nieuwe voeding voor zijn schilderijen. Want we zien in de schilderijen die na WO II worden gemaakt, de focus verschuiven van psychoanalyse naar spiritualiteit in de 50er jaren van de vorige eeuw.
Kunst helpt hem nog steeds te leven.

ds Robert-Jan van Amstel, 21 augustus 2013, aangepast: 9 oktober 2014

[Voor het derde blogdeel “Dalí – wat een kunst”, klik hier. Daar schrijf ik over een aantal belangrijke gebeurtenissen en ontdekkingen dat hem ertoe brengt onder andere het Crucifix-schilderij uit 1951 te schilderen]

Bonusmateriaal:
De Engelstalige documentaire-reeks “Modern Masters” bevat een boeiende aflevering over het leven en werk van Dalí (Youtube):

In 1965 wordt Dalí geïnterviewd door Merv Griffin; deze talkshowhost is één de eersten in televisieland die op deze manier televisie maakt. Er zullen nog vele talkshowhosts volgen. Het volgende fragment bevat naast wat irritante boodschappen omtrent een website, een paar mooie momenten over hoe Dalí doet. spreekt, grapjes maakt en tegelijk heel serieus kan zijn. Opvallend dat Dalí over zichzelf in de derde persoon praat…

Voetnoten:
1. De Taschen-reeks over Dalí; Linde Salber, Salvador Dalí, 2004; Taylor, The Dalí Renaissance, 2008;

2. Je kunt je voorstellen dat mijn gedachten uitgaan naar de preek, want gebeurt in de preek niet hetzelfde: het ongrijpbare zichtbaar maken?