Waarom voedt God de armen niet?

Onder de titel Verantwoordelijkheid schreef de joodse filosoof Emmanuel Levinas: ‘In het feit dat de relatie tot het goddelijk via de relatie tot de mensen verloopt en met de sociale rechtvaardigheid samenvalt, ligt de hele geest van de joodse Bijbel. Mozes en de profeten bekommeren zich niet om de onsterfelijkheid van de ziel, maar om de arme, de weduwe, de wees en de vreemdeling. De relatie tot de mens, waarin het contract met het goddelijke zich voltrekt, is niet een soort geestelijke vriendschap, maar een vriendschap die zich uit, bewijst en voltooit in een rechtvaardige economie waarvoor ieder mens ten volle verantwoordelijk is.’

‘Waarom voedt uw God, die de God van de armen is, de armen niet?’, vraagt een Romein aan Rabbi Akiba.
‘Om ons aan de verdoemenis te laten ontkomen’, antwoordt Rabbi Akiba.

Men kan niet sterker uitdrukken hoe onmogelijk het voor God is om de plichten en de verantwoordelijkheden van de mens op zich te nemen. De persoonlijke verantwoordelijkheid die de ene mens tegenover de andere heeft, is zodanig dat God haar niet kan afschaffen. {…} Tegen de stroom van postmodern en neoliberaal ik-denken, heeft Levinas ons geconfronteerd met de radicaliteit van de bijbelse ethiek, waarin niet ik het uitgangspunt ben, maar de andere mens, die mij aankijkt en een beroep op mij doet. Mensen, schrijft hij, zijn ‘uitverkoren elkaar te dienen’.

Bovenstaande tekst heb ik geciteerd uit het nieuwste boekje van Huub Oosterhuis: Red hen die geen verweer hebben (Kampen 2012, p.10-11) Dit boekje is een pamflet geschreven ter gelegenheid van de Nacht van de Theologie 2012. Oosterhuis heeft tijdens deze manifestatie de Theologie Oeuvreprijs 2012 ontvangen en graag feliciteer ik hem met deze onderscheiding.
Bij het lezen van zijn boekje, weet Oosterhuis mij opnieuw te raken en te inspireren door zijn voelbare passie voor de medemens. Bekende Oosterhuis-thematieken als solidariteit en rechtvaardigheid komen terug in dit pamflet. Steeds weer zet Oosterhuis de lezer stil om over een bepaalde zin of gedachte na te denken, zoals die hele korte dialoog tussen de Romein en Rabbi Akiba en hoe Oosterhuis die weet in te passen in zijn gedachtengang.

Net als in eerdere boeken van Oosterhuis, ‘definieert’ hij wie God is. God is geen oppermachtig, streng wezen die beloont en straft, die beschikker is van geluk en ongeluk.  Oosterhuis schrijft:

Het is noodzakelijk steeds opnieuw de Naam van de bijbelse god uit te leggen en met elkaar af te spreken dat wij met ‘God’ bedoelen: die ene die het kermen van mensen hoort en niet harden kan dat zij vernederde, geknechte, verlaten en verachtelijke wezens zijn – en daarom iemand, jou, mij, stuurt naar hen toe, om ze te bevrijden uit de macht van hun onderdrukkers. {…} Jij zult liefde hebben tot je naaste die een mens is zoals jij. (p.16)

Die Naam heeft in de mens Jezus van Nazareth een gezicht gekregen, ogen die de ander aankeken, oren die luisterden, handen die nieuw leven schonken net als God de mens boetseerde in vroeger tijden. In Jezus zien we God zichzelf schenken, onvoorwaardelijk zichzelf geven in handen van mensen, zoals Jezus voor zijn vrienden zijn leven prijsgaf.
Het evangelie van Jezus Christus leert mij: zie ik in de naaste zodanig iets van God dat de geestelijke vriendschap overstijgt?

Het vurige in het betoog van Huub Oosterhuis heeft dezelfde kracht als bij die andere theoloog waar ik me graag door laat inspireren: Miskotte. Eerder heb ik wat gedachten van Miskotte over God opgenomen in een korte blog met een citaat, klik hier. Krachtige woorden van Miskotte die vooruit willen. Frappant dat zulke hemelsbreed verschillende theologen ieder een belangrijke invloed hebben op mijn theologie en geloof: vanuit de vergeving van God, levend in het licht van genade, kan ik de naaste lief hebben die een mens is zoals ik.

Zoals Oosterhuis schrijft: “God zelf gaat mij voor en leert mij gáán”. (p.18)

ds R.J. van Amstel, 26 juni 2012