Waterverf

Op het predikanten-discussieplatform “Leesrooster” (Yahoo Groups) wordt vandaag teruggeblikt op kerkdiensten die gisteren op de eerste zondag van Advent zijn gehouden.  Dat heeft vooral te maken met het Alternatieve Leesrooster (en Kind op Zondag). Deze periode naar Kerst is gekozen voor een aantal lezingen uit het boek Rechters (of: Richteren). Gisteren, zondag 27.11.2011, zijn in diverse kerken delen uit Richteren 4 en 5 gelezen. Kernfiguur was (is) Deborah, maar om Jaël die nogal vaardig was met de tentpin, daar kun je niet om heen. Ik heb in de zomer van 2009 een prekenserie gehouden met de titel: “De Ongehoorde Bijbel” waar ik o.a. Richteren 4 en 5 heb gelezen en bepreekt, hier is de preek te lezen zoals ik die heb uitgesproken op 26 juli 2009.
Net als de collegae op de discussiegroep kreeg ik toen bij het uitgaan van de kerk zeer diverse reacties. Naar aanleiding daarvan heb ik in september 2009 een meditatie getiteld “Waterverf” geschreven voor het kerkblad hier ter plaatse.

Hieronder de meditatie in ongewijzigde vorm opgenomen. De tekst is twee jaar oud, geen nieuws meer, wel actueel.

Waterverf

“Echt ongehoord, dat verhaal over Jaël (Richteren 4). Bij het handen geven aan de deur aan het einde van eredienst op zondag 26 juli jongstleden waarin ik een preek had gehouden over de vrouw Jaël, kwamen diverse reacties mij ter ore. “Deze verhalen moeten niet meer gelezen worden in de kerk” Of: “Ontzettend boeiende materie”, “Geweld is zo oud als de mensheid zelf. Dank voor de spiegel!”, “Als mensen hier voor het eerst zouden komen, dan zouden die er niets van hebben begrepen.” “Geef mij maar een lofprijzing! Ik had liever wat vrolijker de kerk uitgegaan.”

Preken – een heidens karwei, zo zat ik even later thuis de dienst te overdenken. Zulke diverse reacties had ik in de 18 maanden dat ik nu aan deze gemeente verbonden ben nog niet eerder gehad op een preek uit de prekenserie “De Ongehoorde Bijbel” als deze over Jaël. Waarom zouden we dit geweldsverhaal vol rode kleur niet meer mogen lezen in de kerk? En waarom is het voor de andere hoorder juist boeiende materie en ziet zij daarin een spiegel?

Het is bekend: waar de hoorder van de preek zelf mee bezig is (en zelf ben ik als predikant óók hoorder), bepaalt voor een belangrijk deel hoe uitgesproken woorden en rituele handelingen tijdens een eredienst overkomen. Een Engelse muziekgroep heeft ooit een lied gemaakt waarin wordt gezongen over een groep jongens van de straat die een kerk binnengaat. Van wat er gesproken werd, begrepen ze geen lettergreep. Laat staan wat er gedaan werd daar op het ‘toneel’. Het liedje eindigt met het regelmatig terugkerende refrein van gemeenteleden “Mooie preek, dominee”. Voor de incrowd zijn de taal en gebruiken vertrouwd, voor de ander zoals dat groepje jongeren, een brok abracadabra.

In dat liedje lijkt er nog een duidelijk onderscheid te zijn, maar blijkbaar lijkt de taal die in de kerk gesproken wordt, ook steeds meer abracadabra te worden voor de meer of minder regelmatige kerkganger en al dan niet betrokken gemeentelid. Een verhaal als over Jaël is ver weg uit een grijs en verstoft verleden. Het ruwe geweld ten tijde van Israëls thuiskomst in het beloofde land doet menigeen fronsen.
Van het dominante Jezus-beeld wordt allerlei dogmatisme weggeschraapt; kerkelijke etiketten verwijderd; grote woorden liefst stilgehouden. Het huidige denken over Jezus heeft vooral iemand als wijze leraar voor ogen, mens vol van revolutionaire ideeën, de man van de Bergrede. Veel mensen hebben moeite met de goddelijkheid van Jezus Christus. Da’s geen nieuws, want in het begin van het christendom is dat ook het geval. De notie dat Jezus God present stelt door zijn woord en daad, dat we leven uit de liefde van God die sterker is dan de dood, dat we leven uit vergeving en uit aanvaarding, is naar mijn idee soms te veel uit het zicht verdwenen. “Het wordt tegenwoordig zo gauw waterverf”, om de beeldspraak van een collega-predikant uit Amsterdam te gebruiken. De vraag borrelt bij me naar boven: is de preek als uitleg en verkondiging van Gods Woord zoals ik dat lees vanaf Genesis tot en met Openbaring meer en meer schilderen met waterverf of niet? Kun je beter geweldsverhalen zoals over Jaël beter niet meer lezen en daarmee dus afserveren, omdat die zo slecht passen in onze moderne wereldbeelden en bij onze individuele verwachtingen?

Collega ds. Ketelaar schreef in de vorige uitgave van Klankbord in zijn meditatie “Startzondag 2009: Wij geloven!” dat “tegengestelde meningen en zelfs tegengestelde levensovertuigingen misschien wel nodig zijn om samen één gezonde gemeente te vormen.” Daarbij moest ik denken aan de Protestantse Kerk in Nederland die een soort van driestromenland kent wat betreft leden aangesloten aan dit kerkgenootschap: in de ene stroom treffen we de mensen aan met volle overtuiging, die het zeker weten en kunnen wonen in de (beeld)taal van vroeger. De andere stroming zijn mensen die met dat ‘steile’ niets meer kunnen. Verder is er een brede stroom, een amalgaam van betrokken kerkgangers en mensen die zoeken naar eigentijds geloven en dito beleven en daarbij putten uit de schatkist van de bijbelse en kerkelijke rijkdom. Die tegelijk voeling willen houden met het geheim van het geloof, dat je niet via een beamer kunt presenteren op de geduldige muren van het kerkgebouw.

Mede om die reden zijn dergelijke teksten als over Jaël voor mij te waardevol om die zomaar overboord te kieperen. Nagenoeg iedere bijbeltekst wil iets doen met onze ontmoeting met God. Kerkdiensten, ontmoetingen thuis, (bijbel)studiegroepen, gesprekskringen, zoeken we naar ontwikkeling en groei in geloof, soms schurend, soms botsend. Zonder wrijving geen glans. De bijbel is een groot schilderij vol felle kleuren (soms in schril contrast) dat je steeds opnieuw uitnodigt om je te laten verrassen door weer een ander detail. Om kleur te bekennen is meer dan waterverf nodig.

ds Robert-Jan van Amstel

(Gepubliceerd in Klankbord, kerkblad van Gereformeerd en Hervomd Barendrecht, 29 september 2009)