Mag het iets meer zijn? (deel 2)

Dit blogbericht is een vervolg van “Mag het iets meer zijn?” deel 1, een leesverslag van het nieuwe boek van ds Klaas Hendrikse “God bestaat niet en Jezus is zijn zoon”. Dit 2e deel zal ik besluiten met een paar concluderende zinnen.

We pakken de draad op: Hendrikse neemt ons mee naar het einde van de Babylonische Ballingschap, rond 539 vC. De redactie van het Oude Testament krijgt een extra boost door de overwinningsroes: de joden mogen terugkeren naar eigen land door het edikt van de Perzische vorst Kores. Alsof het mythische verhaal over de bevrijding uit Egypte opnieuw wordt beleefd. Bescheidenheid bij de redacteurs met betrekking tot de rol van JHWH is er niet: “hij is de grootste. Euforie alom. De Babyloniërs waren verslagen”. Dan zegt Hendrikse dit:

“Vanuit die overwinningsroes is het Oude Testament, voor zover het bestond, herschreven, en voor zover het nog niet bestond, geschreven.”

Zie p.45 van zijn boek. In die tijd heeft ook het boek Genesis (p.50 vv) een belangrijke gedaanteverandering voor de boeg. Of suggereert Hendrikse dat het hele boek Genesis dan wordt geschreven? Hoe het ook zij: de bijbel zet stevig in met God als schepper van hemel en aarde in den beginne. Dat heeft te maken, aldus Hendrikse, te maken met de jubel van de teruggekeerde bijbelschrijvers dat God boven alles en iedereen staat.

Het is een mythe, geen geschiedschrijving. En niet eens een originele mythe, aldus Hendrikse, het gros van de Genesis-mythen zijn kopieën van de Babylonische mythen met een joodse twist erin,  zoals een “gefrustreerde slang” (p.56); de aartsvader wordt door Hendrikse neergezet als een mythologisch figuur, p.96. Hoe het ook zij: het monotheïsme (er is één God) krijgt werkelijk beslag na de Babylonische Ballingschap: JHWH is “the one and only” (p.60)

Hendrikse maakt een volgende stap van de thuiskomst van de joden naar het christendom (p.69 vv). In zeer grove lijnen schetst hij de wereldgeschiedenis naar het jaar nul toe. Het Israëlitische volk was nog niet bevrijd van de Babyloniërs of in de 4e eeuw vC kwamen de Grieken en later de Romeinen in beeld. Het volk kreeg dus opnieuw te maken met vreemde machthebbers en dito culturele, maatschappelijke, religieuze en sociale invloeden. God de Bevrijder maakt zijn naam maar kort waar.

Tegelijk zet Hendrikse in op de opstanding van Jezus. Alsof gelijk uit de wereld moet worden geholpen, dat het christendom daarin uniek is. De religies in Egypte (Osiris), Griekenland (Dionysius), Klein-Azië (Attis), Syrië (Adonis), Italië (Bacchus), Perzië (Mithras) kennen allemaal de mythen van een stervende en uit de dood opgestane god (mens): “heidens gesproken, was er niets bijzonders” (p.69-70)

Een van de Romeinse oppergoden Mithras, de zonnegod, onoverwinnelijk

Zoals in de mysteriereligies als in de natuurreligies reeds aanwezig was in het kader van de seizoenswisselingen, donker naar licht, etc: “wat sterft, word wedergeboren” (p.70) Het ging in die ‘heidense’, voor-christelijke religies niet om wat er met een godheid gebeurde als hij stierf, maar om “wat er met mensen moet gebeuren: opstaan uit de dood” (p.71) Het sterven en opstaan van de godheid was geen eenmalig feit, maar een tijdloos voorbeeld voor mensen. Het gaat niet om nadoen, niet om vereren, maar om “navolgen”.  In de mysteriënreligies ging het om hoe je moest ‘sterven’ in dit leven om “goed verder te kunnen leven”. “Wat er na je fysieke dood gebeurt, was niet eens aan de orde.” (p.71)

Voor Hendrikse komt te spreken over Jezus zelf, maakt hij een sprongetje in de tijd. Tijdens de Romeinse overheersing moesten de eerste christenen, dus na de dood van Jezus,  zich koest houden (p.74) Hun geloof werd getolereerd, want daarin waren de Romeinen ruimhartig. Alleen vielen de christenen op in negatieve zin: ze wilden niet offeren voor de keizer. Christenen werden als ‘atheïst’ gezien, als godlozen, want ze vereerden een god die zich niet liet verbeelden. Door de weigering te offeren voor de goddelijke keizer werden de christenen vervolgd. En toch verbaast Hendrikse zich erover dat het christendom zich kon verspreiden, dat in het jaar 250 nC er reeds een miljoen aanhangers zijn te tellen.

Eén van de oorzaken voor die groei is, aldus Hendrikse “wat ongenuanceerd” gezegd (p.74):

“het christendom kon groeien door Romeinen te vriend te houden, door zich te onderscheiden van het jodendom, door zo min mogelijk nadruk te leggen op verschillen met andere godsdiensten, en vooral door de schijn op te houden dat het eigenlijk niet veel anders was dan een vermomde zonnecultus. De namen die Jezus kreeg, ‘zon der gerechtigheid’, ‘licht der wereld’, droegen aan dit camouflageproces bij.” (p.74-75)

Bepaalde elementen uit de Romeinse cultusverering rondom de oppergod Mithras werden overgenomen door de christenen, zoals 25 december de officiele geboortedag van Jezus met de nadruk dat ook hij uit een maagd is voortgekomen. En net als Mithras is Jezus na drie dagen opgestaan uit de dood. “De wervingskracht van het vroege christendom zat dus in het niet-unieke.” Het christendom heeft volgens Hendrikse mazzel gehad dat keizer Constantijn zich heeft bekeerd tot het christendom en dat keizer Theodosius I in 378 nC het christendom tot staatsreligie heeft verheven, anders “had er bij jou om de hoek waarschijnlijk geen kerk gestaan, maar misschien wel een tempel voor Isis.” (p.76)

We zijn aangekomen bij het tweede hoofddeel van in totaal drie in het boek van Hendrikse: “Over Jezus” (p.77-135). Als je de titel van het boek van Hendrikse in ogenschouw neemt “God bestaat niet en Jezus is zijn zoon”, dan zou je verwachten dat er meer over Jezus in zou staan, dan slechts pakweg een derde deel. Het eerste hoofddeel van het boek “Van Adam tot Jezus” gaat eigenlijk over het ontstaan van goden en dan met name de God van de bijbel. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat Hendrikse met strakke hand schrijft naar wat hij wil bewijzen: Jezus is een heel bijzonder mens en het ontstane beeld van Jezus is uiteindelijk bekleed door allerlei mythologische elementen en zo werd Hij Christus.

Goed, het tweede deel “Over Jezus” is eigenlijk erg teleurstellend. Waar Hendrikse de Apostolische Geloofsbelijdenis wijst op het gebrek aan enige biografische elementen uit het leven van Jezus, doet Hendrikse er zelf ook niets mee. Het enige waar Hendrikse zijn lezer op attendeert,  is dat veel christenen Jezus kennen als “een ‘aangeklede’ figuur” (p.79) Doe je zijn christelijke jasje uit, wat blijft er dan over? Die vraag wordt eigenlijk niet beantwoord door Hendrikse. Dat vind ik een belangrijk kritiekpunt: Hendrikse zegt hardop in zijn boek dat Jezus “een heel bijzonder mens moet zijn geweest. Dus bestaan hebben.” (p. 97)
Maar geen hendriksiaanse tittel of jota die wijst naar wat het bijzondere van Jezus is geweest, want zo zegt hij op p.95 is het nauwelijks van belang of Jezus wel of niet heeft bestaan. Dan zou je kunnen zeggen: lees het Nieuwe Testament, maar dat wordt door Hendrikse zelf gediskwalificeerd, als betrouwbaar verslag heeft het Nieuwe Testament “geen betekenis” laat staan dat de deskundigen het onderling niet eens zijn over wat nu wel of niet authentiek is de berichtgeving over Jezus (p.97) Je mag het dus zelf zeggen. Een bijzonder mens was Jezus, prima, “meer weten we niet, punt” (p.96). Verwijs je met de naam Jezus Christus naar deze bijzondere mens, dan heb je een probleem, als ik Hendrikse goed heb begrepen.

Christus is pas geboren na de dood van Jezus. Dat is het speerpunt in het tweede hoofddeel van het boek van Hendrikse. De naam Jezus Christus is als een knoop (of een mengelmoes, p. 120) die uit elkaar gehaald dient te worden. De jood Jezus heeft net als alle andere mensen geleefd en is net als alle mensen gestorven. Daar is geen speld tussen te krijgen. Christus is echter het resultaat van de “eigen ‘opstandologie’ van de christelijke kerk” (p.81-82): de vanuit het heidendom bekende mythe van een god(mens) die na drie dagen opstaat uit de dood wordt letterlijk genomen en op de historische persoon Jezus van Nazareth toegepast. De opstanding van Jezus wordt dus tot een enkel feit op een “onachterhaalbaar verleden, ver voor mensenheugenis”. Daarmee wordt voor Hendrikse boel op zijn kop gezet:

Jezus wordt op deze manier de eerste en enige mens in de geschiedenis die uit de dood is opgestaan, dat zou zelfs een heiden niet doen (zie p.81).

Hendrikse positioneert zich duidelijk: het Paasfeest, het feest van de Opstanding, heeft niet zozeer betrekking op een bepaalde gebeurtenis zo’n 2000 jaar geleden wat er met Jezus is gebeurd, maar op “wat daarna met zijn volgelingen is gebeurd” (p.80) Hij spreekt liever over een “opstanding ‘uit de levenden'” dan over een opstanding uit de doden. Die opstanding betreft geen eenmalige gebeurtenis op een zondagmorgen, maar is “een periode van ettelijke decennia tussen Goede Vrijdag van het jaar 33 en de tijd waarin de eerste evangeliën zijn geschreven.”

Het Nieuwe Testament is volgens Hendrikse niet eenduidig in wat met opstanding wordt bedoeld. Laat staan de diverse verschijningen van Jezus aan diverse mensen als de leerlingen of een groep van 500 waarover de apostel Paulus rept. De evangelisten zijn geen journalisten maar brengers van de blijde boodschap. Het nieuws dat zij dus brengen is geen weergave van iets uit het verleden, maar “een poging om woorden te geven aan de betekenis van Jezus voor henzelf en voor hun tijdgenoten” (p.88).
Deze Jezus betekende nogal wat, want de evangelisten zagen een flink groeiende beweging rond Jezus. Het wonder voor de evangelisten is juist dat het verhaal van Jezus niet doodloopt op een kruis, maar doorgang vindt omdat deze Jezus tot aan de dag van vandaag “mensen bezig- en gaande houdt” (p.88) De opstanding heeft nog steeds plaats, terwijl Jezus “gewoon dood in zijn graf” ligt (p.89).

Hendrikse benadrukt dat een rode lijn in de bijbel is de nadruk van leven uit de ‘dood’: zoals het volk is bevrijd uit de dood(sheid) naar het leven toe, vanuit een levenloos land naar een land van belofte. Hendrikse wijst naar de dorre beenderen die tot leven wordt gebracht door God (Ezechiël 37). Pasen is niet het feest waar een mirakel 2000 jaar geleden wordt herdacht, maar wat het mensen nu doet om te leven vanuit wat eerst doods was. Wat Jezus heeft uigestraald aan liefde en kracht, dat is nog steeds voelbaar. Dat is niet begraven (p.104) En wat Hij heeft gedaan, dat dient voortgezet te worden. Jezus is niet dood, zijn lichaam wel, “maar zijn woorden en daden niet” (p.105). Ofwel:

“…de dode Jezus kwam pas tot ‘leven’ nadat zijn volgelingen waren ‘opgestaan’. Dan verlies ik niet de aansluiting met wat in mijn eigen leven en om me heen gebeurt”. Het Paasfeest viert dat “de dood niet sterk genoeg is om mensen vast te houden” (p.107); hier is zachtjes het bekende geluid van Huub Oosterhuis hoorbaar.

De groei van de beweging rondom Jezus heeft mede een oorzaak gehad in de apostel Paulus die naar Hendrikse’s zeggen veel reizen heeft gemaakt. Blijkbaar heeft Paulus de status van bestaan bij Hendrikse; ik heb niet gelezen dat ook Paulus een verzonnen figuur is. En Hendrikse legt mij niet uit waarom Paulus die duizenden kilometers heeft afgelegd om de boodschap van Jezus rond te zenden. Echter, Paulus krijgt van Hendrikse geen goede recensie: met heidense elementen heeft Paulus de boodschap verpakt en ging “de Jezus van Paulus schuil achter een mythologisch figuur” (p.118): Paulus rept eigenlijk niet over Jezus’ biografie, niet eens de maagdelijke geboorte.
De mislukking aan het kruis werd voor Paulus een bron voor een nieuw feest, de opgestane Christus (p.117). Jezus is gestorven voor onze zonden, zoals een Griekse held of godheid kon sterven voor zijn vaderland (p.115).

Een dergelijk sterven is geen deuropening naar een leven na de dood, maar juist “bij leven te doen wat die godheid had voorgedaan: ‘sterven en opstaan'” Hendrikse ‘citeert’ Paulus: “Vroeger waren jullie slaven van de zonde. Maar nu jullie bevrijd zijn van je oude leven, treden jullie een nieuw leven binnen.” (in een voetnoot 99 zegt Hendrikse dat dit vrij is naar Romeinen 6). Paulus koppelde Jezus los van het joodse denken en de dito verwachting van de Messias. De evangelisten moesten, zo lees ik, de figuur Jezus (of Christus?) weer van vlees en bloed voorzien en opnieuw verankeren in het jodendom (p. 118)

De evangeliën zijn een mix geworden van de door Paulus mythisch-aangeklede Christus en de ‘historische details’ van de evangelisten. Ten diepste zegt Hendrikse: niet alleen Paulus, maar ook de evangeliën zijn niet serieus te nemen. Als lezer kun je dus reeds bevroeden wat Hendrikse uiteindelijk schrijft op pagina 125:

“Matteüs en Lukas legden samen het mythologische geboorteverhaal van Christus in de wieg van Jezus. Geen biologische geboorte dus, maar een mythologische ‘nageboorte’; de baby die de jood Jezus was geweest, werd tientallen jareb jaren na zijn dood als Christus opnieuw geboren, in christelijke luiers gewikkeld en in een kribbe gelegd. […] Mythologisch is het een koud kunstje om een vrouw met een normaal seksleven met terugwekkende kracht tot maagd uit te roepen.”

Van Jezus Christus blijft niets meer over. Als de mythologische Christus met de maagdelijke geboorte en de opstanding uit de dood wordt losgeweekt van de historische (?) Jezus, dan houdt Hendrikse alleen nog dit over, zo lezen we bij Hendrikse op p.132-133:

“Als er, wat mij betreft, iets verlossends is aan Jezus , dan is dat niet om wat hij voor ons heeft gedaan bij zijn sterven, maar omdat hij bij leven heeft voorgedaan hoe een mens zichzelf kan verlossen van wat hem belemmert om te leven, en omdat hij met zijn leven heeft laten zien dat trouw zijn en blijven aan je eigen menselijkheid de enige weg is waar leven uit voortkomt. En verlossend lijkt me nou juist dat je je verantwoordelijkheid daarvoor níet uit handen geeft en op Jezus afschuift […] Ik heb Jezus niet nodig om in God te geloven, maar als voorbeeld van iemand die God heeft ‘geleefd’, helpt mij om zo te leven dat God kan ‘gebeuren’.”

Deze Jezus is in de ogen van Hendrikse moedig en moedigde andere mensen daarin aan een weg te gaan, zelfs als dat het religieuze establishment zou kritiseren. Jezus heeft laten zien dat er veel goeds mogelijk is in de wereld. Hendrikse wil daaraan bijdragen samen met andere mensen.

“Als van Jezus verteld wordt dat hij zo’n mens is  geweest, dan is hij niet voor niets geboren.” (p.135)

Een voorbeeld-mens die met de kracht van de zon straalt tot aan vandaag: niet letterlijk, maar wel inspirerend. Zoals er dus vele andere mensen zijn geweest die God lieten ‘gebeuren’ in de geschiedenis, als ik Hendrikse goed begrijp. Jezus staat niet alleen op de kaart van de mensengeschiedenis. Jezus is niet nodig om in God te geloven, zegt Hendrikse. In dit deel van zijn boek (en ook niet in het vervolg) ‘verzuimt’ Hendrikse te vertellen waarom hij dan nog in een christelijk instituut als de PKN werkt als predikant.

Het derde deel van zijn boek “Van Jezus tot vandaag” laat ik verder buiten bespreking omdat dit deel in mijn ogen helemaal los staat van de andere twee delen. Hendrikse neemt ruim de tijd om uitgebreid zijn ideeën omtrent (n)ietsisme te beschrijven en ook zijn soms eenzijdige visie op de kerk  te ventileren, maar een link naar Jezus wordt niet meer gemaakt. Het derde deel en daarmee het boek eindigt heel abrupt en de eerstvolgende pagina bevat de eindnoten.
Wel zou ik uit dit derde deel een paar zinnen willen citeren waar Hendrikse belangrijke vragen stelt aan de kerk van vandaag en die zeker een plek verdienen in de bezinning van de kerken anno 2011 en verder (p.152):

“Zijn er tekenen waaruit blijkt dat de kerk zich de vraag heeft gesteld wat een kerkachtig instituut vandaag en morgen nog kan betekenen? Hoe gaat zij om met individualiteit? Is daarvan iets zichtbaar in de variatie van haar aanbod? Wordt er ruimte geboden aan verschillende visies op God en Jezus, moedigt zijn haar gelovigen aan tot eigen keuzes, of wordt er nog steeds eenheidsworst geserveerd? Helpt zij mensen anders te kijken naar afgedane of betwijfelde godsbeelden en biedt zij alternatieven? […] Wat blijft er van God over?  Hoe kan er anno vandaag over God worden gesproken?”

Algehele leesindruk & conclusie:

Het boek van Hendrikse leest als een trein – er zijn weinig boeken van 200 pagina’s die ik binnen één dag heb kunnen uitlezen. Op het eerste gezicht geen spijt van de aankoop. Als het een kleine aanvulling is op zijn appeltje voor de dorst, het zij zo. Zoals Hendrikse schrijft, daar kan menig theoloog (mijzelf incluis) een puntje aan zuigen. Geen moeilijke, lange zinnen of binnen-theologisch jargon, maar helder en kordaat. De ironische pen is voelbaar op elke pagina. Met milde en soms cynische humor, met citaten uit boeken Toon Tellegen, legt hij zijn kaarten op tafel wat betreft zijn ideeën over God en Jezus. Geen (a-)theologische noviteiten hoef je te verwachten, want alles is al een keer gezegd, vooral in de 19e en vroeg-20e eeuw is menigmaal geroepen dat van de historische Jezus bar weinig te weten is.
Hij legt zijn kaarten neer met aantekeningen wat hij zelf heeft gelezen, ontdekt en blijkbaar ook bepreekt. Toch geeft hij zich niet helemaal bloot. Want ik mis de link naar zijn eigen biografie – wat zit er in zijn rugzak waarom hij tot deze keuze(s) komt?

Ik waardeer zijn pogingen om in de PKN waar hij werkzaam is, te blijven schudden aan de stoelpoten van gewoonte, impliciete theologie, bepaalde eenzijdigheid en verstarring. Hij creeërt ruimte voor dat deel van mensen in de PKN dat bezig is zijn positie te bepalen in die kerk of reeds die kerk heeft verlaten, maar nog niet het lijntje hebben doorgeknipt. Ik vind wel dat Hendrikse dat deel vooral wil bevestigen in hun zoeken en te weinig een andere positie daartegenover zet.
Tegelijkertijd rommelt het in mijn onderbuik: waarom spugen in de eigen bron waaruit ook hij put? Hij schrijft niet mals over de PKN, al is de toon wel iets anders dan in zijn vorige boek uit 2007. Hij doet wel behartenswaardige vragen stellen, maar ik proef dat hij geen been ziet in de PKN. Als hij het lef had gehad, dan had hij voor zichzelf kunnen bedenken waar hij niet langer het belijden van de christelijke PKN kan onderschrijven of uitdragen, dat hij zijn talenten als “hele speciale dominee” ergens anders had kunnen inzetten. In Trouw van do. 27.10.2011 was een humoristische en tegelijk de spijker op z’n kop slaande, ingezonden brief afgedrukt over voetballen zonder bal en bovenal: de speler zelf (Hendrikse) zit in de kantine.

De manier waarop Hendrikse de bijbel leest met de redactie-kritische (en beslagen?) bril benadert, vind ik te gemakkelijk  en voor een theoloog gestudeerd hebbend aan een universiteit onder de maat. De wordingsgeschiedenis van de bijbel en het bronnenonderzoek is dermate complex, dat het onmogelijk is om te enkel stellen dat ‘het’ Oude Testament ge- of herschreven is tijdens de Babylonische Ballingschap en dat het OT in de 5e/4e eeuw voorlopig is afgerond.
Ik ben me ervan bewust dat het boek van het Hendrikse twee keer zo dik zou worden en meer afleidend zou werken voor de gemiddelde lezer, toch had Hendrikse iets meer over kunnen zeggen. Prof.dr. Eep Talstra heeft bij verschijnen van het boek een uitstekend artikel geschreven in het Friesch Dagblad, ma. 24 oktober 2011.: “Hendrikse maakt eigen Jezus” waar hij Hendrikse bevraagt op zijn manier van bijbel-lezen en -interpretatie.
Hendrikse wil zijn lezer is ervoor behoeden zich in de luren te laten leggen door wat de bijbel zegt over God en over Jezus: God bestaat niet, maar ‘gebeurt’ tussen mensen; God is een hobby van een paar enthousiastelingen met grootse verhalen die koste wat kost willen voorkomen dat mensen met andere goden aan de haal gaan, maar die afgoden bestaan ook niet. En Jezus is gefileerd: het ene is de mythologische Christus en die wordt radicaal afgewezen. De andere is Jezus waar we slechts een paar frutsels aan gegevens hebben. Grappig is wel dat Hendrikse precies hetzelfde doet: door zijn ‘bewijstrant’ probeert hij zijn lezer te overtuigen van ‘zijn’ Jezus-beeld, door niet in te gaan op de vraag of de leerlingen of Paulus ooit hebben bestaan. Want Hendrikse kan niet om het feit heen dat er in het jaar 250 nC reeds een miljoen christenen waren. Die hebben zich toch niet laten blij maken met een dode mus? En de kracht van de christelijke kerk door de eeuwen is immens – tuurlijk, kerkenwerk is mensenwerk en er zijn genoeg zwarte bladzijden, maar die hebben atheïstische of andere-goden-kennende staten/regeringen/instituten ook. De Kerk heeft niet de sterkste papieren wat betreft meegaan met de tijd en voeling houden met de tijdgeest (vooral plaatselijke uitzonderingen daargelaten), maar heeft veel bijgedragen aan sociale en maatschappelijke cohesie en aan waarden en normen.

In deel 1 van deze bespreking begon ik met de vraag hoe het standbeeld eruit zou zien van degene die Hendrikse voor ogen heeft met zijn boek: een figuur met de ene hand tastend naar een zoekgeraakte sleutel en de andere hand afwerend naar elke bemoeienis van b(B)uiten, met zonnebril op. Dat laatste moge duidelijk zijn: de zon is het begin van alles. Daar kun je niet de hele dag in kijken. De zoekgeraakte sleutel is eigenlijk de sleutel die niet bestaat, op z’n Hendrikse gezegd, maar gebeurt. De sleutel kan alleen maar ‘gevonden’ worden met andere mensen. Maar hoe moet die sleutel eruit zien? Want op ervaringen gebaseerde ideeën (sleutelervaringen?) kan de sleutel niet gevonden worden – want de ene ervaring is de andere niet. Als het gaat om mensenharten, mogen anderen die eerder niet dan wel benaderen. Vandaar de andere, afwerende hand van het standbeeld, zeker als dat gebaar wordt gevoed vanuit een rugzak vol ervaringen van teleurstellingen door andere mensen. Kan God ook gebeuren als mensen elkaar niet vinden in gedeelde ervaring?
Eigenlijk is het uitgesloten dat dé sleutel ‘gebeurt’. Als de sleutel gevonden zou kunnen worden, dan past die maar op één slot. Echter,  bij Hendrikse zijn er geen sloten meer, omdat de deur(en) door Hendrikse stelselmatig zijn verwijderd. Het gaat om het iets, dat niet-niets is, onbegrensd. Om niks dus eigenlijk.

Collega Klaas Hendrikse: waarom of/of? Mag het iets meer zijn?

ds Robert-Jan van Amstel, 27 oktober 2011.