Mag het iets meer zijn? (deel 1)

“Als je een standbeeld van een christen zou maken, hoe zou dat er dan uitzien?”[1]
Bij mij komt het beeld van een christen voor ogen die niet naar het net te hoog hangend fruit grijpt, maar als een schaatser voorovergebogen met de uitgestrekte hand reikt naar de belofte van God.  De Heer komt aanstormen[2] om zijn Rijk definitief te vestigen. Het beeld van christen is voor mij dynamisch, beweeglijk, vasthoudend, sterk.  Tuurlijk, het gevaar van generalisering en “over één kam scheren” loert om de hoek. Toch is het goed om hierover na te denken: zet tien christenen bij elkaar en er zullen tien verschillende beelden worden gemaakt.

Bij het lezen van het nieuwe boek van de Zeeuwse predikant ds. Klaas Hendrikse “God bestaat niet en Jezus is zijn zoon” (Amsterdam, 2011) kwam een soortgelijke vraag bij mij naar boven: stel, je zou een standbeeld maken van de “iemand die zichzelf niet als ongelovig beschouwt, die probeert zijn eigen weg te zoeken te midden van mensen en stromingen die het met hem eens zijn dat er niet ‘niets’ is” (p.8), zoals Hendrikse zijn bedoelde lezer voor ogen heeft.

Deze lezer is ooit-kerkelijk-geweest, “inmiddels kerkverlater”, omdat er antwoorden in de kerk worden gegeven op vragen die niet gesteld worden (en vice versa). Deze lezer ziet de kloof tussen wat er in de (christelijke) kerk gebeurt en daarbuiten. Of de bedoelde lezer van Hendrikse  is niet-kerkelijk,  zoals Hendrikse zegt: “die met een grote boog om God of Jezus heenloopt” (p.9) maar wel op zoek zijn in de “veelheid van zingevingsaanbod”; deze de op voorhand christelijke kerken mijdende lezer is “eerder geneigd te geloven in ‘iets’ dan in wat in kerken ‘God’ wordt genoemd”.
Hendrikse raadt de lezer die kan wonen in de kerkelijke antwoorden omtrent God en Jezus, af zijn boek te lezen om niet aan het twijfelen te worden gebracht. Helaas zegt Hendrikse niet hoe deze twijfel dan zou worden ingekleurd, want ik vind het eerlijk gezegd nogal meevallen – toegegeven, ik ben theoloog en praktiserend christen. Degene die zou kunnen gaan twijfelen, zou sowieso niet in de categorie passen van mensen voor wie Hendrikse niet geschreven heeft.[3]

Een beeld maken van de niet per se christelijke god- en/of zinzoeker, de lezer die Hendrikse voor ogen heeft, zou in mijn ogen een figuur zijn met de ene hand tastend naar een zoekgeraakte sleutel en de andere hand afwerend naar elke bemoeienis van b(B)uiten; opvallend detail: het standbeeld heeft een zonnebril op om zich te beschermen tegen het zonlicht.Want de zon speelt een centrale rol in het eerste deel van het boek:

“In den beginne was de zon” (p.17).

In grofweg 60 pagina’s schetst Hendrikse soms erg kort door de bocht, de ene keer met plezier en vaker met een bepaalde tegenzin, de weg van hoe een religieus mens godsdienstig wordt. De zon is cruciaal bij het ontstaan van het geloof van de mens in de vroegste tijden. Want de zon was er eerst, daarna de mensen en dan volgen de goden. De eerste twee bestaan, de laatsten bestaan niet, maar dat is geen nieuws bij Hendrikse.

Hij trekt lijnen vanuit Adam, niet de Adam zoals we die kennen van het Paradijsverhaal in het bijbelboek Genesis, maar de eerste mens van een paar miljoen jaar geleden, als de zon reeds vier miljard bestaat. Niet de oerknal is zijn beginpunt, maar een datum op de evolutie-kalender. De ironische pen van Hendrikse zie ik het hele boek door en ook hier, als hij verhaalt dat de mens plotsklaps op een maandagmorgen ontdekt dat hij op twee benen kan staan (p.22). In de beeldspraak van een week leert de mens het leven ontdekken, wat nodig is en ook de spraak.  Aan het eind van de week rust Adam om op adem te komen.

De mens begon vragen te stellen als “Waarom ben ik hier?” en “Hoe verhoud ik mij tot mensen en dingen om me heen?” (p.23)

Ik vraag me alleen af: stelde de vroege mens deze vragen reeds of maakt Hendrikse impliciet een grote stap voorwaarts in de mensenkalender, want was er reeds voldoende rationaliteit bij de vroege mens om zich te bereflecteren?[5]

Als mens weet Adam zich afhankelijk van de grillen van de natuur. “Daarom is het begonnen met natuurgoden” (p.17), in de afwisseling van de seizoenen en het weer zitten krachten die een naam krijgen van de eerste mensen. Deze natuurgoden worden in de mensengeschiedenis uiteindelijk goden, maar de allerhoogste “was onbetwistbaar de zon” (p.17).  Want Adam ontdekte dat zonder de zon geen leven mogelijk is (p.23) Echter boven was voor Adam niets te beleven, hoe meer in de eigen wereld: geboorte van kinderen, de vruchten van bomen etc. Hendrikse  gunt Adam graag wat verbeeldingskracht, “zie hoe ‘moeder-aarde’ is ontstaan” Echter: van godsdienst was nog geen sprake, “van een vader-god al helemaal niet.” (p.23)

Hendrikse maakt een reuzestap naar 10.000 vC. De mens heeft duidelijk meer en meer voet aan de grond gekregen en weet wat de natuur te bieden heeft en hoe zich daarmee te verhouden. Ook de mensencultuur krijgt inhoud. De eerste goden waren natuurgoden: de grillen van de natuur worden verbonden aan een god. En hoe opvallend, maar niet nieuw:

“Eigenschappen die aan goden worden toegekend weerspiegelen de manier waarop mensen denken en leven.” (p.24)

De regengod deed het regenen of hozen, de windgod blaast dewind of kan doen stormen. Maar de macht is beperkt (p.26).  Er was nog geen sprake van opperwezens, wel van “oertranscendentie” (p.26):

“Adam en zijn nakomelingen hadden wel het besef dat er iets was dat al het andere oversteeg, maar dat was zo onbenaderbaar en onaanbiddelijk dat vereren niet in hun hoofd opkwam”, aldus de definitie van Hendrikse in eigen woorden.

Hij wil het misverstand wegruimen dat de vroege mensen bijvoorbeeld de zon aanbidden om iets gedaan te krijgen, om invloed uit te oefenen op de gang van de natuurwetten. Voor Hendrikse bad de vroege mens tot de zon om haar te verwelkomen, uit eerbied voor het leven.[6]

“Later is de zon toch een god geworden” (p.30). In de ons bekende culturen in die tijd in de regio van het Midden-Oosten, had elk volk (of stam) een eigen zonnecultus: Ra in Egypte, Sjamasj in Mesopotamië, Assur in Assyri, Mardoek in Babylonië, Mithras in Perzië. “De latere geschiedenis heeft wel geleerd, en die les begint hier, dat een god het in puur transcendente vorm niet altijd lang volhoudt” (p.31) Hendrikse voegt hieraan toe:

“De meeste mensen zien hun god graag wat concreter en zo mogelijk menselijker.”

Door het toenemende vermogen van de mens om na te denken “kon toegegeven worden aan de verleiding die de oude primitieven hadden kunnen weerstaan: de zon kreeg menselijke eigenschappen en werd ‘god'” Dat komt dus trammelant van: “de-zon-zij-met-ons”-krijgsheroïek maakte van de zonnegod een krijgszuchtige god (p.31).

Redelijk abrupt wordt mij eerst in een kort intermezzo (p.32-33) iets over (de christelijke?) God gezegd: spreken over God als onzegbaar mysterie of als oorsprong van alles, daarvan “wordt een mens niet warm”. Echter, van de zon word je wel warm: van de zon heb je de ervaring dat je zijn stralen kan voelen, dat je je erin kunt “wentelen” (op de voorzijde van zijn boek zie je het gebruinde aangezicht van Hendrikse), zo kun je over de werkzaamheid van God wél spreken.
Ook al is God hoogverheven, door de Heilige Geest is Hij wel ervaarbaar en voelbaar zoals bij de zon. Echter, van het hele concept van de Drie-Ene God moet Hendrikse niets hebben,
trouwens. In die abrupte overgang spreekt Hendrikse over de God van het Oude Testament: om de transcendentie van God te bewaren, laat God ‘zich bemiddelen’ door bijvoorbeeld een wolk (p.33).

           “Zo blijft God transcendent en dichtbij: de wolk is het teken van Gods aanwezigheid, en houdt hem tegelijkertijd uit zicht.”

Een voorbeeld is het moment dat een wolk neerdaalt op de berg Sinaï en dat Hij door die wolk spreekt met Mozes (Exodus 19-20) of de wolk die de tempel vult als de profeet Jesaja wordt geroepen (Jesaja 6).[7]

In de sectie “Babylonische tussenstop” (p.34-59) komen we terecht bij het bekende stokpaardje van Hendrikse. Hij zat er al op in zijn vorige boek en nu weer, maar dan met wat andere woorden. En blijkbaar is er voortschrijdend inzicht, want er zitten wat nieuwe elementen in het betoog van Hendrikse.  God krijgt pas echt vorm en ‘bestaan’ tijdens de Babylonische Ballingschap (6e eeuw vC), als de joden leven als ballingen in Babel nadat Nebukadnessar Jeruzalem en de rest van Israël heeft onderworpen.
Overweldigd door het religieuze aanbod in Babel gaat een groep Israëlieten met de hulp van de mythen[8] van de Babyloniërs zelf (!) ervoor zorgen dat een beeld van God wordt gemaakt – niet in de zin van een beeldhouwwerk, maar als tegenkracht tegen de overdaad van de Babylonische goden en dan vooral de zonnegod Mardoek. Wat daar in Babel gebeurde, was een strijd tussen menselijke godsbeelden. God is Schepper van hemel, aarde en alles wat onder de aarde is. Hij heeft de hemellichamen een plek gegeven, de zon pas op de vierde dag (als een lange neus naar Babyloniërs). In zijn vorige boek “Geloven in een God die niet bestaat” legt Hendrikse de leuze “we are the champions” (Geloven in…, p.58) in de mond van de Israëlieten; in dit boek “God bestaat niet…” herhaalt hij die leuze niet; het blijft nu bij een “overwinningsroes” (p.45).

Onze God JHWH is de beste, de grootste, meest verhevene.  Hendrikse doet de boude uitspraak dat het (!) Oude Testament in Babel wordt herzien en uitgebreid (p.39)! Was de canon toen al bekend?  De niet-waar-gebeurde, want mythische verhalen over Abraham en Mozes worden op schrift gesteld en de rol van God wordt overdacht en ingevuld. En dat alles in het licht van de afgoderij: het volgen van andere goden of het loslaten van JHWH zorgt voor nederlagen en gevangenschap. De rode draad in de Babylonische, joods-godsdienstige redactie is: houd vast aan de Heer, dan komt het wel goed, zoals Hendrikse dat samenvat (p.40).

Over de ‘geboorte’ van JHWH, waar Hij vandaan komt, daar wordt eigenlijk niets over gezegd in het Oude Testament [9]. Hendrikse gaat ervan uit dat dat bewust is weggemoffeld door de bijbelschrijvers.

Want, zo zegt Hendrikse, JHWH was in het begin ook maar een regionale godheid, onbeduidend haast.

Hij is zoon van de “regionale oppergod” El/Baäl. Hendrikse blijft uiterst spaarzaam over de oorsprong van de godheid El en welke volken deze oppergod hebben gekend helaas (p.42). Als El de vader is van JHWH dan maakt dat JHWH tot een Baälskind, een elohiemetje (p.44). Maar El (en zijn vrouw Astarte) zijn van huis uit heidens. Daarom moest JHWH zo snel mogelijk de eigenschappen krijgen die eerder aan El zijn toegeschreven. Daarom wordt in het Oude Testament zoveel afgewisseld tussen de godsnamen El, JHWH en Elohiem.

“Met dank namens het latere christendom. Want dat zou betekend hebben dat Jezus niet de Zoon, maar de Kleinzoon van God is geweest.” (p.57)

Het leesverslag van dit boek wordt vervolgd in een volgend bericht.

[1] Middels een meditatie van dr Okke Jager kwam ik op deze vraag.

[2] De aanstormende God is een beeld van Jean-Jacques Suurmond in zijn column, Trouw, di. 25 okt. 2011 in “De Verdieping”.

[3] Hendrikse heeft dus eigenlijk hetzelfde publiek voor ogen als in zijn eerste boek “Geloven in een God die niet bestaat” uit 2007. Alleen, wat een vraag heeft hij voor ogen om zelf te beantwoorden als het gaat om zijn visie op Jezus – dan heeft Hendrikse het over vragen en antwoorden in de kerk, maar zijn vraag wordt ook niet dagelijks gesteld:  “Hoe heeft het vroeger toch met mensen zó kunnen gaan dat het met Jezus kon gaan zoals het is gegaan, hoe is het gekomen dat het daarna is gegaan zoals het is gegaan, en hoe gaat het nu met ons?” Mij is wel duidelijk geworden, dat Hendrikse deze vraag maar mondjesmaat weet te beantwoorden in zijn boek, althans hij bewandelt een andere route dan de vraag suggereert.

[4] Hendrikse kiest in zijn boek voor de hij-vorm, waar ook zij gelezen kan worden.

[5] Op p.31 schrijft hij over het steeds slimmer worden van de mensen, met een tongue-in-cheek: “Religieus gesproken was dat geen vooruitgang” We zijn al voorbij het jaar 10.000 vC.

[6] Over sjamanisme rept Hendrikse geen woord, helaas.

[7] Dat engelen ook boodschappers van God zijn, wordt in het geheel niet gerept door Hendrikse.

[8] Mythen zijn “verzonnen verhalen” en “ze proberend door middel van een fictief verhaal een tijdloze waarheid aan het licht te brengen”, aldus Hendrikse, p.35. Mythen wijzen naar vroeger, “maar ze gaan over nu”. Een mythe wil een verklaring geven over wat vroeger gebeurd is in een tijdloos jasje. Wat toen herkenbaar was, is dat ook voor ons anno 2011. “Mythen verklaren dus niet, ze rechtvaardigen” (p.37)

[9] Hendrikse gaat in mijn ogen te gemakkelijk voorbij aan de datering van de bijbelboeken in het Oude Testament. Weet Hendrikse bijvoorbeeld dat in Richteren 4 en 5 de oudste teksten van het Oude Testament zijn te vinden waar o.a. wordt gesproken over JHWH als een weergod zonder weerga?