Wat een ruimte!

(c) Andres Rodriguez (Dreamstime Stock Photo)
(c) Andres Rodriguez (Dreamstime Stock Photo)

In maart van dit jaar was ik deelgenoot van het gezellige, meerdaagse uitje van de DmB-jongeren, de “Vrije Vogels”. Dit jaar sloegen we onze vleugels uit in Drenthe. Eén van de activiteiten was het bezoek aan Planetron nabij Dwingeloo. De hemel was wolkenvrij die avond. Voordat ik het gebouw binnen ging, keek ik nog even omhoog. De hemel is dan voor mij bezaaid met veel puntjes. De een wat feller dan de ander.
De sterrenreisleider in Planetron had een boeiend verhaal over sterrenbeelden, planeten en zelfs de zichtbaarheid van een melkwegstelsel niet zo ver weg hier vandaan… Bij buitenkomst keek ik met andere ogen naar boven. En zowaar, het minuscule rode vlekje is Mars en één van de meer heldere sterren bleek Saturnus te zijn op zo’n 1 miljard kilometer ver weg. Turend door de telescoop kwam Saturnus ietsje dichterbij. Mijn tweejarige tweeling zou zeggen:

“Papa ster pakken?!”

Duizelingwekkend als ik stilsta bij de onmetelijke ruimte rondom ons heen. De aarde is maar een pietepeuterig dingetje vergeleken bij de grootte van de zon die op zo’n 149.597.870.700 meter van de aarde staat. De verwachting is dat over vijf miljard jaar de zon is opgebrand, zo liet de spreker bij de sterrenwacht ons weten. Dan is de brandstoftank leeg. Wel een raar idee, als dit zo wordt gezegd.

Noem het beroepsdeformatie of niet, mijn gedachten haakten bij het verhaal van de Planetronspreker gelijk aan de beginverzen van de bijbel, het boek Genesis. Er is chaos, oersoep, oertroep, wirwar en wanorde. Allemaal probeersels om het prachtige Hebreeuwse woord tohoewabohoe te vertalen. Daarboven zweeft de Geest van God. Terwijl de schepping de adem inhoudt, haalt God adem en spreekt:

“Er moet licht komen.”

Zo komt God de wereld binnen: het licht gaat aan alle andere woorden, gebeurtenissen, geschiedenissen, en mensenlevens vooraf. De wereld komt in een ander licht te staan. Niet langer oersoep en wanorde, maar ordening naar het hart van God en ruimte om te leven. In het grote scheppingsverhaal van Genesis 1 worden zon en maan pas op de vierde dag gemaakt door God. Bovenal, ze worden niet eens bij name genoemd, alleen maar de twee “grootste lichten, het om grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen.” (Genesis 1, vers 16). Het licht dat God heeft geroepen in den beginne, dat is de bron van alle leven, zo leert ons de bijbel in de eerste verzen. De rest is gevolg daarvan.

In het Nieuwe Testament zegt de Jezus Christus dat Hij het licht voor de wereld is (Johannes 8, vers 12):

“Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.”

(c) Contactgt (Dreamstime Stock Photo)
(c) Contactgt (Dreamstime Stock Photo)

Mooi hoe Jezus dat zegt: van zichzelf zegt niet dat Hij de zón van de wereld is, maar het licht. En daarbij: de mens, jij dus, is lichthebber (als variatie op het woord liefhebber), drager van het licht. Het licht zit in ieder van ons. Pasen leert ons dat dát licht in Jezus Christus zich ontworsteld heeft aan de duisternis van de dood. Hij leeft en wij met Hem.

De zon zal uiteindelijk doven, zo verwacht de wetenschap, ergens over vijf miljard jaar.
Ik zou haast zeggen: dat zien we dan wel weer.
Vanuit de bijbel wordt ons aangereikt dat er licht is dat nooit meer dooft.
Wat een ruimte om te leven!

ds. Robert-Jan van Amstel, juni 2014
(bovenstaande tekst is opgenomen in het blad Monitor, juni 2014, uitgegeven door Stichting Diensten met Belangstellenden Amsterdam)