Passie en Pasen in de kunst (4) – Mahler 2e Symfonie

Het feest van de opstanding van Jezus Christus lijkt zo gauw weg te ebben als de week vordert. De dagelijkse besognes op het werk of thuis of waar je ook mee bezig bent, lijken zelf als luiken te werken. Da’s een ander beloken Pasen dan die we zullen vieren a.s. zondag. De paasvreugde kreeg gisteravond een flinke dot energie. Met een twaalftal gemeenteleden hebben we geluisterd naar de Tweede Symfonie (1888-1894) van Gustav Mahler (1860-1911).  Na een korte introductie van het veelbewogen en tragische leven van deze Tsjechische componist waar hij reeds op jonge leeftijd een aantal broers en zussen verliest en op zijn 30e zijn beide ouders, hebben we ons verdiept in complexe thematiek van het meesterwerk. Het worstelen met de zin van het leven en met de dood is een constant existentieel thema in zijn leven. Zoals Mahler dat zelf verwoordt in 1894, na de afronding van de compositie:

“Waarom heb ik geleefd? Waarom heb ik geleden? Was alles alleen maar een grote, vreselijke grap?” En: “Ik word me steeds meer bewust van mijn levensprobleem, namelijk hoe we het wrede en het slechte in de schepping kunnen rijmen met de goddelijke goedheid en almacht.”

In zijn Tweede Symfonie laat hij de diepte van zijn vragen horen in het eerste deel, het zogenoemde “Todtenfeier” (“dodenherdenking” of “dodenwijding”). Het noodlot slaat hard toe met een slag op het hoofd van de mens. In het eerste deel wordt dat heel treffend door Mahler op muziek gezet: voor de hamerslagen van het noodlot gebruikt Mahler de fameuze begintonen van de vijfde symfonie van Beethoven (ta-ta-ta-daah) en rekt deze uit met een aantal herhalingen eindigend met een doffe harde klap op de Turkse trom. Bijvoorbeeld in deze uitvoering van het Koninklijk Concertgebouw Orkest olv. Mariss Jansons (doorspoelen naar 16:13; kies de HD-versie voor het best beschikbare geluid)

Na de klap van het noodlot verstilt het orkest direct en wijst weer naar de begintonen van dit eerste deel: het “Dies Irae”-thema strak en staccato gespeeld. Mahler laat donker en licht, leven en dood in grootse contrasten klinken. Fascinerende muziek en razendknap hoe deze dertigplusser een complexe levensvraag tot uitdrukking brengt.In het tweede deel van de symfonie klinkt een andante dat verraderlijk lichtvoetig aanvoelt. De ziel kijkt terug op het leven in het licht en de geleefde liefde.
Het derde deel, een scherzo die met een forse paukenslag het publiek weer ‘wakker schudt’, horen we een preek in muziek-vorm. De monnik Antonius van Padua is diep teleurgesteld dat de kerken leeg zijn .Dus hij zoekt zijn heil bij de vissen om daar het Woord te prediken. In “Des Knaben Wunderhorn” (een collectie liedteksten die Mahler erg aansprak) komen we het gedicht “Des Antonius von Padua Fischpredigt” tegen. Het gehoor is aandachtig, maar na afloop doen ze nog steeds wat ze altijd deden. Dit doet een beetje denken aan de gemeente die na de preek in alle richtingen zwemt, zo schrijft Mahler.

“‘De preek is bevallen’. En ze zijn er geen cent wijzer van geworden, hoezeer de heilige zich ook heeft uitgesloofd.”

Ofwel: een satire op de menselijke soort. De mensheid laat zich uiteindelijk aan niets gelegen, zelfs niet als woorden van wijsheid zijn. Van die mensheid maakt de mens Mahler deel uit. Hij kan het voor zichzelf moeilijk verkroppen dat mensen niet willen veranderen en gewoon doen wat ze altijd al deden.

“Het is de zinloosheid van het leven, de gruwelijke spookachtigheid waarover je van walging zou kunnen schreeuwen.” En: “Nu alles wat de wereld aan levende krachten te bieden had, blijkt te falen, wat rest ons dan nog?” In het vierde deel, “Urlicht”, gaat Mahler nader in op die vraag. “In dit deel vraagt en strijdt de ziel om God en haar eeuwige existentie, de unio mystica met God. Het verklankt een bereidheid om te geloven, geen geloofsbekentenis. […] Het oor verneemt hier de ontroerende stem van het kinderlijke geloof. […] Ik stel me de ziel voor in de hemel, waar ze als een kind voor zijn ‘ontpopping’ weer helemaal opnieuw moet beginnen.”:

De stem van de altsolo begeleid door koralen-zingend kopers klinkt en klimt op, vol verlangen. De verstilling waarmee dit prachtige deel eindigt, wordt bruusk verstoord door het stormachtige begin van het vijfde deel “Auferstehung”. Alsof Mahler de mens/de ziel weer terugroept en weer op beide benen zet op aarde. Met veel geruis en tromgeroffel wordt het moment verklankt, dat de graven opengaan, zoals beschreven in Matteüs 27, vers 51b. Jezus geeft zijn laatste adem aan het Kruis en bij zijn dood beeft de aarde en splijt de rotsen. De bijbeltekst vervolgt met vers 52 waar wordt gesproken over Jezus’ opstanding. De gestorven heiligen gaan hun graven uit, ze trekken de heilige stad binnen en maken zich bekend aan een groot aantal mensen. Het staat niet in de bijbel wat die herrezen heiligen zeggen tegen de inwoners van de heilige stad. Mahler geeft daar invulling op zijn eigen manier invulling aan. En in die woorden zit het antwoord besloten dat Mahler zoekt op zijn prangende vraag uit het eerste deel. In de symfonie begint het koor met bijna stilte te zingen (pppp, superzacht; zie bovenste Youtube-venster, spoel naar 01:17:00). De mensen in de heilige stad worden aangesproken en jij en ik als hoorder dus ook: “Herrijzen zul jij, na korte rust”. Uiteindelijk barst het koor binnen uit zijn voegen als we horen zingen: “Sterven zal ik, om te leven!” En die zin is de kern van het antwoord op de levensvraag van Mahler. Het slot van dit deel en de symfonie eindigt groots en grootst. De klokken bellen in 3/4-maat en het orkest en koor in 2kwarts-maat. De klokken lijken daarmee te los te staan van de aarde, als het geluid van de hemel. Met een orgel waar alle registers openstaan en een orkest dat in fff moet spelen, wil Mahler dat je inwendig mee trilt met de muziek. Zo word jij opgenomen in het grootse geluid, de magnifieke klankgolven: God verschijnt in al zijn heerlijkheid. Mahler schrijft daarover:

“Een wondermooi licht dringt door tot in ons hart – alles is stil en verzaligd” En: “Er is geen straf en geen loon. Alles heeft opgehouden te bestaan. Een almachtig gevoel van liefde straalt in ons als een zalig weten en zijn.”

De opstanding der doden voorafgegaan door de opstanding van Jezus Christus is een kosmisch gebeuren en begint dus eerst met je ziel.

ds Robert-Jan van Amstel, 12 april 2012.

Bronnen: Gustav Mahler stichting; Haenchen (Amsterdam 2000), Mahler Symfonie 2; Verdult, God en kunst; Classical Podcast (s.v. Mahler)

Op streamingdiensten als Spotify zijn opnames van Mahlers werk rijk vertegenwoordigd. Wat betreft de tweede symfonie is de opname met dirigent Gilbert Kaplan een goede luisterervaring: