Jij en ik zijn (niet) okay

In het lied “Smooth Criminal” van Michael Jackson uit 1987 (!) wordt veelvuldig gezongen “Are you OK?” Onlangs hoorde ik het lied op de radio en dat haakte bij een boek dat ik op dit moment aan het lezen ben voor de invulling van mijn studieverlof: een recente homiletiek (preekkunde) van Duitse bodem, “Einleitung in der Homiletik van Dr Wilfried Engemann (2011), behoorlijk uitgebreid sinds de 1e druk uit 2001.

Het flink uit de kluiten gewassen boek à 548 pagina’s bestaat uit vier delen: 1. Het preekgebeuren (meeste bladzijden van het boek); 2. Basisaanwijzingen en leidende vragen bij de preekanalyse en het gesprek na de preek; 3. Theologie van de preek; 4. Helpende hand bij het maken van een preek.
De Duitse praktisch-theoloog Engemann weet op een aangename manier directe vragen te stellen en is to-the-point. Er wordt op homiletisch vakgebied zeer veel gepubliceerd en het aantrekkelijke aan Engemanns boek is dat hij de krenten uit de pap haalt en die kort en bondig voor het voetlicht zet met duidelijke voetnoten (en literatuurlijst!) waar hij zijn eigen bronnen verantwoordt.
Op dit moment lees ik nog in deel 1 van het kloeke werk, toch wil ik alvast wat elementen naar voren brengen die mij hebben aangesproken. Niet in de vorm van een systematische analyse, maar al lezend en schrijvend associërend. N.B. ik neem geen Duitse citaten over, alle (werk)vertalingen zijn van mijn hand.

Na een kort historisch exposé waar namen als Schleiermachter, Haendler, Bohren, Zerfass voorbijkomen, komt hij uit bij een preekkunde die uitgaat van het subject van degene die preekt (de prediker m/v; “der Prediger” bij Engemann), ofwel: bereflecteerde subjectiviteit. Het ik (subject) van de prediker is niet los verkrijgbaar bij het uitdenken, schrijven en houden van de preek als uitleg en de verkondiging van Gods Woord. Preek en prediker zijn geen losse delen. Eerder met elkaar verweven.
In de 19e eeuw werden al pogingen gedaan om na te denken over het subject-zijn van de prediker en in de 20e eeuw is in de homitetiek veel meer over geschreven, tot aan vandaag. Want het is eigenlijk  onmogelijk puur objectief c.q. je-zelf-weg-cijferend Gods Woord te verkondigen. Er staat “een ik op de kansel” met een eigen rugzak aan levenservaring, met eigen vreugde, dankbaarheid, tekortkomingen, frustraties, verdriet etc. Dat alles kun je niet zomaar parkeren of ontkennen (zie p.17 e.v.).

Voor mezelf komen de volgende vragen: ben je je als prediker bewust welke keuze-strategie(ën) je ontwerpt, waarom je het ene wel zegt in de preek en het andere (on)bewust niet? Is de ik van de prediker een sta-in-de-weg voor de hoorder, een drempel of juist getuigend-open? Herkent de hoorder waarmee de ik van de prediker heeft geworsteld en waarvan hij overtuigd is?
Een voorbeeld: als hoorder beluister ik regelmatig in de kerk of via een opname op internet (www.kerkomroep.nl) een preek. En stel, ik hoor deze zin:  “Wij hebben het zo goed als verleerd met de zekerheid te leven dat de Heilige Geest ons bijstaat”.  Wat communiceert de prediker nu eigenlijk, dus niet zozeer de vraag ‘wat zegt hij’?

De voorganger gebruikt het woord “wij”. Dus ik als hoorder word direct betrokken bij wat er gezegd wordt.  Het onderbuikgevoel zegt mij nu:  “Heb ik nu weer fout gedaan?” De net geciteerde zin met de wij-vorm is eerder cynisch en beschuldigend. In de contekst van de preek kan ik deze zin wel begrijpen: wellicht heeft de voorganger een gevoel van saamhorigheid willen creëren, maar deze “wij”-vorm deugt niet. Ik hoor namelijk niet de “ik” van de dominee meezingen in wat hij op dit moment naar buiten brengt. Er wordt een boedelscheiding gemaakt tussen wat des predikers en wat des hoorders is en blijkbaar is de prediker als een stap vooruit, staat hij ‘boven’ zijn hoorder. Om “wij” te gebruiken in een preek, verdient daarom zorgvuldigheid.

Om te reflecteren op subjectiviteit – nadenken over je eigen ik als prediker – is, zo concludeert Engemann, enerzijds een homiletische categorie geworden, zelfs een sleutelcompetentie van de prediker als bodem voor het studeren en uitleggen van een bijbeltekst. Anderzijds de zelf-waarneming van de prediker, hoe kijkt de spreker naar zichzelf. We kunnen zeggen: de preek is een Woord-gebeuren tussen het ik  van de prediker (met zijn eigen karakteristieke persoonlijkheidsprofiel) en de hoorder (zie p.43 en 44). Wie je ‘bent’ als prediker heeft altijd invloed op hoe je een preek opbouwt en uitspreekt.
De primaire functie van een de preek definieërt Engemann als volgt: de preek is, met het oog op mensen met hun concrete ervaringen, vragen en problemen, vandaag de dag perspectief krijgen op een leven uit geloof naar de voorwaarden/vereisten van het Koninkrijk van God (p.26). Dat is een mond vol en Engemann gaat in zijn boek hier nader op in. Nu kan gezegd worden, dat er een groot bewustzijn van de prediker van zichzelf, van de mensen om hem heen en de wereld waarin hij leeft, verwacht mag worden. Twee valkuilen zijn bijvoorbeeld authenticiteit zoeken buiten jezelf of de bijbeltekst laten buikspreken voor je eigen gelijk, je ik laten verschuilen achter de vermeende autoriteit van de bijbeltekst als Gods Woord.

Allereerst de prediker zelf: Engemann blikt met drie grote namen op de vorming van een persoonlijkheid en ik noem ze slechts met wat sleutelwoorden: Freud (Ich, Über-Ich, Es), Jung (zelf-verwerkelijking; de geheel-heid van een persoonlijkheid; integrerende mensvisie) en Bernes (Ouders-Ik; Volwassenen-Ik; Kind-Ik). Vooral laatstgenoemde krijgt relatief  veel ruimte bij Engemann. Dat laat ik nu voorlopig even achterwege. Vanuit de transactie-analyse van Bernes – het geven en ontvangen vanuit ouders, je eigen kind-zijn en de volwassen-worden – en met hulp van Freud en Jung komt Engemann uiteindelijk tot een intrigerend schema:  “Ich bin (nicht) Okay – Du bist (nicht) Okay”:

Synopsis Communicatieprofiel / Preekstrategieën

Vooropgesteld: iedere prediker heeft een preekstrategie die deels weer voortkomt uit de eigen levenspositie alsook de basisinstelling(en): je levensinstelling. Als je ontkent een preekstrategie te gebruiken of daar niet van bewust bent, dan heb je geen idee wat je op de kansel doet of uitspookt. Engemann heeft me indringend laten inzien, dat een onbewuste, niet helder gemaakte c.q. geworden preekstrategie  op korte of langere termijn tot allerlei ‘ongelukken’ en conflicten kan leiden in de gemeente.

Jouw levensinstelling: hoe sta je in het leven? Wat is je levensinstelling? Engemann legt grote nadruk hierop, daar deze invloed uitoefent op de geloofwaardigheid van de rede/preek (p.64). De vier levensposities in het schema licht ik kort toe, met het loerende gevaar kort door de bocht te zijn. Het gaat mij om puntsgewijs een eerste beeld te vormen. Want de punten die Engemann naar voren haalt, zijn het overdenken waard.

I. Afstandelijk preken & onbegrip omtrent Liefde.

Stel je hebt als voorganger de levensinstelling “Ik ben niet okay – jij bent niet okay”. Mensen met deze levenspositie stellen zich hard op naar de ander én naar zichzelf en daarmee wordt afstand gecreëerd. Om teleurstellingen te voorkomen, trekt een dergelijke persoon zich terug: zelf-isolatie. Zoals Engemann dat zegt:  “man kann von einer schizoiden Persönlichkeit sprechen” (p.65). Omdat de innerlijke eenzaamheid en ongeborgen-zijn niet overwonnen kan worden, kiest men de tactiek van zelf-voorziening (autarkisch), omdat niemand anders kan helpen.

Trekken we een lijn naar de prediking, dan kun je je voorstellen dat in de structuur en inhoud van de preek door deze levenspositie wordt beïnvloed. Themata die de distantie verwoorden, kunnen bijvoorbeeld zijn: “Christen-zijn in een vijandelijke wereld” of “Kern-gemeente en kaartenbakleden” Het godsbeeld van een dergelijke voorganger laat zich raden: God laat zich niet verbinden aan mensen, omdat Hij op afstand staat. Voordeel voor een dergelijke voorganger: hij kan met niet-welgevallige waarheden komen, houdt niet van sentimentaliteit of halfbakken vroomheid. Vrijuit-verbindend spreken en communiceren over de liefde van God is voor een voorganger met een dergelijke levenspositie niet of nauwelijks geloofwaardig in de communicatie.

II. Omarmend preken & onbegrip omtrent Conflict

Als voorganger kun je de levenspositie “Ik ben niet okay – jij bent okay” innemen c.q. kun je er zo zijn ingegroeid. De voorganger heeft een negatief zelfbeeld en tegelijk ziet hij in de andere mensen onbereikbare voorbeelden, bewonderenswaardige geluksvogels die de wind er goed onder hebben. Deze voorganger is dus eigenlijk constant bezig in een goed blaadje te komen bij de naaste en bij God. Als dat mislukt, dan wordt dat als een enorme emotionele aderlating ervaren en dat tast de eigenwaarde verder aan: het recept om tot een “depressive Persönlichkeit” te worden (p.67).  De voorganger probeert zoveel mogelijk tegemoet te komen naar de ander en als het mislukt, dan is hij zelfs bereid de verantwoordelijkheid daarvoor te dragen. Hij zal zich niet kritisch uiten richting de ander. Die kritiek houdt hij onder de pet; conflictvermijdend gedrag is typisch in dezen. Dat heeft uiteindelijk een ondermijnend effect. Thema’s van zijn preken zullen vooral “liefde en leed als samenvatting van het christelijke leven” als noemer hebben. Deze prediker is berustend in het lot, geen verandering ten diepste mogelijk: “het hoort eenmaal bij het leven.” En God is voor een dergelijke voorganger ‘iemand’ van je wie niets hoeft te verwachten, die niets van je eist, die niets van jou verwacht en Hij is met niets anders bezig dan zijn Liefde aan te bieden of eerder: op te dringen (p.67). Echter: deze God laat niet met zich spotten, aldus het godsbeeld van de prediker met de basispositie “Ik ben niet okay – jij bent okay”. Alles wat er is in het eigen leven, dat is van God.
Deze levensinstelling heeft een paradoxaal effect wat betreft structuur en inhoud van de preek: hoe meer de voorganger nabijheid/binding zoekt met zijn gemeente, hoe meer de gemeente of de hoorder(s) juist afstand wil houden. Waarmee het effect omgekeerd evenredig is. Echter, op pastoraal nivo, in contacten 1-op-1 heeft deze pastor wel het voordeel dat hij zich goed kan inleven in de ander, omdat de voelhorens zo scherp staan afgesteld te zien bij de ander wat er binnenin gebeurt. Op de kansel kan hij de gemeente toezeggen dat ze geliefd zijn en er helemaal bij horen.

III. Dwingend preken & onbegrip omtrent Vrijheid

De pastor met de instelling “Ik ben okay – jij bent niet okay” heeft iets weg van de Farizeeër in Lucas 18, vers 9 t/m 14. Een dergelijke predikant is arrogant en heeft vanuit zijn eigen basis-/levens-instelling, de neiging de ander steeds te willen corrigeren op een autoritaire manier. De mensen met een minder zelfbeeld voelen zich aangetrokken tot deze sterke persoonlijkheid die op zijn beurt bevestigd wordt in zijn kunnen. Deze voorganger heeft een sterke drive om zich te handhaven, zelf-behoud staat hoog op het innerlijke lijstje. Dat uit zich bijvoorbeeld in  strak houden aan voorgeschreven regels en traditie(s). Abberaties en afwijkingen kunnen rekenen op bestraffing en/of koersherstel. Leven vanuit een vrije, op basis van eigen verkregen ervaringen ingekleurd leven is voor hem een brug te ver, hij staat daar eerder intolerant tegenover. Je kunt je voorstellen dat een prediker met een dergelijke levensinstelling graag preekt met of over maatstaven en richtsnoeren: Tien Geboden, geloven is een akte van gehoorzaamheid, vervulling van de wet en boetedoening  in het licht van het komende gericht.
Het godsbeeld van deze voorganger is vooral een “moreel principe” (p.69) – zonder Hem gaat alles fout en loopt het per definitie spaak. De levensinstelling van de predikant beïnvloedt de structuur en opbouw van de preek: zelfs het Evangelie dat vrijheid en bevrijding brengt, wordt ingekleed in geboden en verboden; dat is, aldus Engemann, destructief met een preek vol agressief-belerende elementen.
Een voorganger met een dergelijke, autoritaire basispositie zal uiteindelijk maar weinig echte weerklank vinden in de gemeente dan behoudens de ‘zwakkere gemeenteleden’ die zich door de kracht geïmponeerd weten.

IV. Grenzenloos preken & onbegrip omtrent Wet

De pastor met de levensinstelling “Ik ben okay – jij bent okay” is ervan overtuigd, dat “mensen kunnen veranderen en dat een ieder in zijn zelfverwerkelijking nog verder kan komen” (p.70) Onbegrensd zelfvertrouwen, een broertje dood aan beperkingen en regeltjes, veel fantasie en creativiteit, nergens een determinisme, geen ge-regeer van boven, niet jezelf kleiner laten praten dan je bent – allerlei ingrediënten voor een sterk zelfvertrouwen. De energie die deze pastor uitstraalt geeft de ander steeds het gevoel te willen veranderen of veranderd (moeten) te worden. Op de kansel is deze pastor “de tolerante vriend van de hoorder” (p.71) De preek heeft vaak veel weg van wat de hoorder wil horen. Vooral functioneel preken, non-verbaal/communicatief, en niet zozeer op de inhoud. De gemiddelde teneur van de preek komt uit op de “vrijheid van een christenmens”.  De prediker voedt de hoop, de vreugde van het er-zijn, het leven wordt vooral positief bevestigd. In de preek wordt er niet of nauwelijks gesproken over lotsbeschikking, over zonde, over gericht, onnodig lijden of een sturende God die alles in het Oog heeft.  Het godsbeeld van een dergelijke voorganger laat zich raden.
De gemiddelde preek van een voorganger met deze levensinstelling lijkt zeer communicatief te zijn, toegankelijk, als suiker in de oren van de hoorder, maar ten diepste is het schijn-communicatie. De realiteit van het dagelijks leven is veelkleuriger en kent drempels of bronnen van tegenstand of verdriet. De levenswerkelijkheid van de hoorder wordt in een dergelijke preek voor de helft serieus genomen. Uiteindelijk kan de hoorder teleurgesteld de kerk verlaten, omdat vooral happy-clapping de boventoon voert, maar er is geen aandacht voor leed, voor dood en schuld in de wereld. Uiteindelijk brengt de preek niet wat deze wel zou moeten brengen (daarover meer in een andere blog te zijner tijd).

Het schema nogmaals overziend is het belangrijk te weten hoe je ten diepste naar jezelf kijkt, naar de ander, de wereld en naar God als je bezig bent een preek structuur en inhoud te geven. “Are you OK” (of niet)? Is de ander (niet) okay? Is de wereld (niet) okay? Is God (niet) okay? En waarom is dat zo voor jou als voorganger?  En ben je bereid om daarin te sturen ten goede: inhoudelijk, theologisch, spraak-eigenaardigheden, stokpaardjes, woordgebruik, beeld van je hoorder(s) etc.?
Met deze vragen ga ik verder aan de slag in het studieverlof en probeer ik een lijn te trekken naar de schilderkunst van Dalí: zag hij zichzelf als okay? Zag hij de a(A)nder als okay? Hoe komt dat tot uitdrukking in zijn schilderkunst en dan met name in de verbeeldende schildering van nieuwtestamentische teksten, zoals de passiegeschiedenis van Jezus Christus?

ds Robert-Jan van Amstel, 12 oktober 2011.

Bijgewerkt op 14 oktober 2011 (spelfouten en hier en daar wat verduidelijking en toevoeging)