Paaslach – de paus en de rabbi

Net als vorig jaar, heb ik vanmorgen tijdens het Paasontbijt in het Jeugdgebouw in Zunderdorp, een Paasmop verteld. Dit in het kader van de risus paschalis, de Paaslach. Een traditie die voortkomt uit de kerk van de Middeleeuwen als een tegenhanger voor alle somberheid en ingetogenheid die de Stille (of: Goede) Week kenmerkte. Na het lijdensverhaal van Jezus, werd op Paasmorgen als de Kerk de Opgestane Christus viert de dag ingeluid met een mop of een grap. Want ook met humor kun je licht brengen in alle donkerte.

Vanmorgen heb ik een mop verteld over een gesprek zonder woorden tussen de paus en een rabbi. Over communicatie gesproken…

Goede Paasdagen met een Glimlach van Boven,
ds Robert-Jan van Amstel, Eerste Paasdag 2015

De paus en de rabbi
In de Middeleeuwen werd de paus door een groep kardinalen gedwongen om de joodse gemeenschap uit Rome te verdrijven. Die gemeenschap was daar natuurlijk niet blij mee.
De paus sloot een deal met het joodse smaldeel in Rome.
“Ik stel voor”, zo zei hij, “dat we een religieus debat organiseren.
Een debat tussen mij en één persoon uit de joodse community.”
Als de jood zou winnen, dan mochten de joden blijven.
Was de winst aan de kant van de paus, dan moesten de joodse gemeenschap een andere stad zoeken.

Voor de joden was al snel duidelijk dat zijn geen keuze hadden.
De oudsten van het joodse volk in Rome kozen een rabbi uit die een goede naam had.
Deze rabbi was een flamboyante persoonlijkheid, zijn gezicht alleen al sprak boekdelen.
De joden stelden de paus voor, dat het debat zonder woorden gevoerd zou worden.
Dat zou het spannender maken als niemand mocht praten.
De paus stemde daarmee in.

De dag van het grote debat kwam.
De rabbi en de paus zaten tegenover elkaar.
Eén volle minuut lang werd er gezwegen, geen woord gewisseld.
Toen stak de paus drie vingers op.
De rabbi keek terug en stak één vinger op.

De paus zwaaide met zijn hand in een cirkel zo boven zijn hoofd.
De rabbi wees met één vinger vol kracht en bezieling naar beneden op de grond.

De paus pakte een brood en een glas wijn.
Hij brak het brood en at ervan. Hij schonk de wijn in een beker.
En nam daarvan een slokje.

De rabbi pakte een appel en nam er een hap van.

De paus stond op en zei: “Ik geef het op. Deze man is veel te goed.
De joden kunnen blijven in Rome zolang als ze willen.”

Na een uur kwamen de kardinalen om de paus heen staan.
Ze vroegen hem: “Wat is er nu gebeurd?”

De paus zei: “Eerst hield ik drie vingers omhoog als teken van de Drie-Ene God.
De rabbi stak één vinger op. Hij herinnerde mij eraan dat er één God is die wij beiden dienen.
Nou, toen ik met mijn hand zwaaien, cirkelen boven mijn hoofd.
Ik wilde hem laten zien dat God overal is en Heer over de kerk.
De rabbi stak één vinger op en wees priemend naar de grond.
Oja, zo dacht ik, God kan inderdaad overal zijn, maar God is ook nu aanwezig, hier tijdens het debat.
God is de God van de kerk en de God van de Joden.
Toen brak ik brood en wijn om de rabbi te laten zien dat God onze zonden vergeeft.
Hij pakte een appel uit zijn binnenzak en nam er een hap van.
Hij zette me gelijk op scherp: de oerzonde in het paradijs is begonnen bij Adam en Eva.
En tot aan vandaag hebben we daarmee te maken.
U begrijpt, de rabbi had overal een antwoord op.
Wat kon ik doen?”

Ondertussen was de joods gemeenschap uitgelopen om de rabbi te ontvangen.
“Wat is er gebeurd?”, vroegen ze.

“Nou”, zei de rabbi, “eerste zei de paus dat de joden binnen drie dagen moeten vertrekken.
Maar ik stak één vinger op: geen één gaat uit Rome weg.
Toen zwaaide de Paus zijn hand als een cirkel om te zeggen dat er in de hele stad
geen enkele jood meer mag wonen.
Ik liet hem duidelijk blijken met een vinger naar de grond, dat we geen stap zullen verzetten.”

“En toen?”, vroeg een vrouw rondom de rabbi.

De rabbi zei: “Ik weet het niet, de paus pakte zijn lunch en ik pakte de mijne – en nu kunnen we net zo lang blijven als we willen.”